Naar hoofdinhoud

Gevolgen

Natuur en milieu

Vogels, vleermuizen en leefgebieden: algemene kennis, lokale waarnemingen en eisen aan de ecologische beoordeling van Ondersloot 3.

Ons standpunt

Leefbaar Stegeren is tegen Windpark Ondersloot 3. De komende onderzoeken zijn nodig om gevolgen controleerbaar in beeld te brengen en inwoners te beschermen, maar veranderen ons standpunt over dit plan en deze locatie niet.

Aanvaringsslachtoffers en verstoring zijn bekende risico’s; soorten en vliegroutes vragen lokaal veldonderzoek.

Natuur en milieu in één minuut

Windturbines kunnen vogels en vleermuizen doden en kunnen leiden tot verstoring en vermijding van leefgebied; de omvang verschilt sterk per soort, seizoen en locatie. Rond Stegerveld en boven de Overijsselse Vecht zijn rode wouwen waargenomen, wat gericht lokaal onderzoek noodzakelijk maakt.

Hoe groot de gevolgen bij Ondersloot 3 zouden zijn, is niet vastgesteld: daarvoor is locatiespecifiek veldonderzoek naar soorten, vliegroutes en vlieghoogtes nodig, inclusief het gezamenlijke effect met De Veenwieken. Die beoordeling moet vóór verdere besluitvorming openbaar en controleerbaar zijn.

Het Ommerkanaal met oevers en beplanting in de gemeente Ommen
Het Ommerkanaal. Foto uit 2025.Foto: Michielverbeek / Wikimedia Commons — CC BY 4.0 · uitsnede

Lokale waarnemingen

Rode wouw waargenomen rond het zoekgebied

De aanwezigheid van de rode wouw in en rond het gebied is met geaccepteerde waarnemingen aangetoond. Daarmee is gericht onderzoek naar vliegroutes, vlieghoogten, foerageergebied en aanvaringsrisico geen vrijblijvende aanvulling, maar een noodzakelijk onderdeel van de ecologische beoordeling, inclusief het gezamenlijke effect van Ondersloot en De Veenwieken.

De waarnemingen uit 2024 en 2025 in en rond Stegerveld en boven de Overijsselse Vecht bewijzen nog niet hoe groot het aanvaringsrisico bij Windpark Ondersloot is.

Waarneming.nl is een vrijwilligersregistratiebron, geen onafhankelijk ecologisch onderzoeksrapport. De waarnemingen tonen aanwezigheid aan, geen broedgeval, vaste verblijfplaats of vliegroute.

Wat weten we, en hoe zeker is dat?

Wij delen bevindingen op deze pagina in naar bewijskracht, zodat duidelijk is wat stevig is onderbouwd en wat nog een vraag is.

Sterk onderbouwd
Dat windturbines slachtoffers kunnen maken onder vogels en vleermuizen en dat effecten per soort, seizoen en locatie sterk verschillen, volgt uit onderzoek en uit officiële bronnen zoals RVO.
Aanwijzingen
Over verstoring, gebiedsvermijding en barrièrewerking bestaat onderzoek, maar de omvang hangt af van soort en gebied en is niet zonder lokaal onderzoek naar Stegeren te vertalen.
Praktijkervaring
Rond Stegerveld en boven de Overijsselse Vecht zijn waarnemingen van de rode wouw vastgelegd. Bekijk de lokale waarnemingen en lees waarom gericht ecologisch onderzoek nodig is.
Nog vast te leggen in de onderzoeksopzet
Welke soorten hier voorkomen, welke vliegroutes en leefgebieden kunnen worden geraakt, welk risico daaruit volgt, hoe dit cumuleert met De Veenwieken en welke uitkomsten betekenen dat het plan niet verder kan.

Hoe wij onderzoeken en bronnen beoordelen

Betekenis en eisen voor Ondersloot

Wat is bekend over Ondersloot?

Vastgesteld

Wat uit openbare documenten volgt

Feiten die rechtstreeks uit openbare en controleerbare bronnen volgen.

  • Het gaat om een voorgenomen windpark in het zoekgebied bij Stegeren; de omvang en status staan beschreven op de pagina Windpark Ondersloot.
  • Het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied ligt onder meer in de gemeente Ommen; provincie Overijssel is voortouwnemer voor dat gebied.
  • In en rond Stegerveld en boven de Overijsselse Vecht zijn waarnemingen van de rode wouw geaccepteerd in Waarneming.nl. Dat toont aanwezigheid van grote roofvogels aan. Bekijk de lokale waarnemingen.
  • De technische verkenning van Pondera uit 2023 was een ruimtelijk-technische quickscan en bevatte geen ecologische effectbeoordeling voor deze locatie.

De ecologische beoordeling moet vóór verdere besluitvorming duidelijk maken welke soorten, leefgebieden en vliegroutes kunnen worden geraakt, hoe de cumulatie met De Veenwieken uitwerkt en hoe onzekerheden zijn beoordeeld. Wanneer ernstige schade niet kan worden uitgesloten, de beschikbare gegevens onvoldoende controleerbaar zijn of een onaanvaardbaar risico resteert, kan het plan niet verder.

Actuele procedurestatus

Volgens de openbare provinciale procesinformatie is de formele projectprocedure nog niet officieel gestart (peildatum 15 oktober 2026). Voorbereidende activiteiten en bestaande algemene onderzoeken zijn daarvan te onderscheiden. Zie de provinciale processtatus.

Onze eisen aan de komende onderzoeksopzet

Openstaande vraag

Nog vast te leggen in de ecologische onderzoeksopzet

Een relevante vraag waarop wij in de gecontroleerde openbare bronnen nog geen volledig antwoord hebben gevonden. Een openstaande vraag is geen beschuldiging.

De inhoudelijke onderzoekseisen staan hierboven. Procedureel moet daarnaast vóór de start duidelijk zijn:

  • wie opdrachtgever is en welk bureau het onderzoek uitvoert;
  • hoe de onafhankelijkheid van dat onderzoek wordt geborgd;
  • welke definitieve turbineposities, welk turbinetype en welke afmetingen worden beoordeeld;
  • welke beoordelingscriteria en vergunningvoorschriften rond natuur gelden;
  • welke ecologische onderzoeken openbaar worden gemaakt, en wanneer;
  • hoe reacties van deskundigen en zienswijzen worden verwerkt;
  • welke beoordelingscriteria worden gebruikt, welke uitkomsten onaanvaardbaar zijn en welke bestuurlijke gevolgen daaraan vóór verdere besluitvorming worden verbonden.

De vragen die wij hierover hebben gesteld, staan bij Openstaande vragen. Dat een ontoereikende milieubeoordeling elders tot langlopende procedures kan leiden, laat de casus Bernagues zien bij Praktijkvoorbeelden; die zaak bewijst niets over de natuurwaarden of de houdbaarheid van een vergunning hier.

De algemene mogelijke effecten staan hieronder in een volledige tabel. De tabel is ingeklapt om eerst de lokale situatie en de hoofdvragen voor Ondersloot zichtbaar te houden.

Mogelijke effecten op natuur en milieu

Onderstaande tabel zet de effecten op een rij die bij windparken in onderzoek en regelgeving terugkomen. Niet ieder mechanisme is op iedere locatie relevant: welke effecten hier daadwerkelijk kunnen optreden, hangt af van de soorten die het gebied gebruiken en van de uiteindelijke opstelling.

Mogelijke effecten van windturbines op natuur, met benodigde lokale informatie en de status voor Ondersloot
Mogelijk effectSoortgroep of natuurwaardeMechanismeBenodigde lokale informatieMogelijke maatregelStatus voor Ondersloot
AanvaringVogels en vleermuizen die op rotorhoogte vliegenBotsing met draaiende rotorbladen of met de mastSoorten, vlieghoogtes, vliegbewegingen per seizoen en turbinepositiesVermijden van risicovolle posities en vooraf vastgelegde grenzen voor onaanvaardbare aanvaringsrisico’sNog vast te leggen in de ecologische onderzoeksopzet
VerstoringBroedvogels en rustende vogelsBeweging, geluid, onderhoudsverkeer en menselijke aanwezigheidBroedlocaties, rustgebieden en verstoringsgevoeligheid per soortWerken buiten kwetsbare periodes, afstand tot broedlocatiesNog vast te leggen in de ecologische onderzoeksopzet
Vermijding en verlies van leefgebiedFoeragerende en broedende vogelsDieren mijden de omgeving van turbines, waardoor bruikbaar gebied kleiner wordtGebiedsgebruik vóór realisatie (nulmeting) en soortspecifieke vermijdingsafstandenAndere opstelling, compensatie of inrichting van alternatief gebiedNog vast te leggen in de ecologische onderzoeksopzet
BarrièrewerkingTrekvogels en pendelende soortenEen rij turbines dwingt dieren om te vliegen, met extra energieverbruikLigging van vlieg- en trekroutes ten opzichte van de opstellingOpstellingsrichting, openingen in de lijn, positioneringNog vast te leggen in de ecologische onderzoeksopzet
Effecten tijdens aanlegAlle aanwezige soortenGrondwerk, heien, transport, tijdelijke werkterreinen en bouwverlichtingBouwplanning, werkterreinen, transportroutes en kwetsbare periodesWerkprotocol, ecologische begeleiding, planning buiten broedseizoenNog vast te leggen in de ecologische onderzoeksopzet
Permanente ingrepen in het terreinBodem, water, vegetatie en gebonden soortenFunderingen, kraanopstelplaatsen, toegangswegen en kabeltracésDefinitief inrichtingsplan met verharding, kabeltracés en waterhuishoudingVermijden van kwetsbare gebieden, een zorgvuldige tracékeuze en beperking van verhardingNog vast te leggen in de ecologische onderzoeksopzet
VerlichtingVogels, vleermuizen en nachtactieve soortenVerplichte obstakelverlichting en verlichting tijdens onderhoudVerlichtingsplan, dimregime en eventuele naderingsdetectieVooraf beoordelen van lichtbereik, nachtelijke verstoring en gevolgen voor vogels, vleermuizen en andere nachtactieve soortenNog vast te leggen in de ecologische onderzoeksopzet
Cumulatieve effectenSoorten die het bredere gebied gebruikenOptelling met De Veenwieken, infrastructuur en andere ontwikkelingenEén onderzoeksgebied met alle bestaande en voorziene bronnen van effectGezamenlijke beoordeling en afstemming van maatregelen tussen projectenCumulatie opnemen in de komende ecologische beoordeling
Sterfte onder de detectiegrensKleine soorten en vleermuizenSlachtoffers worden niet gevonden door predatie, begroeiing of zoekefficiëntieWetenschappelijke onderbouwing van modelaannames en onzekerheidsmargesVoorzichtige beoordeling van niet-waargenomen of onderschatte sterfteOnzekerheden en onderschatting vooraf opnemen in de ecologische beoordeling
Onzekerheid in modellenAlle beoordeelde soortenAannames over vluchten, uitwijkgedrag en turbinebedrijf bepalen de uitkomstExpliciete aannames, gevoeligheidsanalyse en onzekerheidsmargesVoorzichtige uitgangspunten, gevoeligheidsanalyses en onafhankelijke beoordeling voorafModelaannames, onzekerheden en afwijzingscriteria opnemen in de onderzoeksopzet

De juridische uitleg en de volledige inhoudelijke onderzoekseisen staan hieronder. Dit onderdeel is ingeklapt om de procedurele hoofdlijn leesbaar te houden.

Wat de komende ecologische beoordeling minimaal moet bevatten

Het juridische kader in gewone woorden

Sinds 1 januari 2024 is de natuurbescherming opgenomen in de Omgevingswet. Twee sporen zijn hier van belang. Het eerste is gebiedsbescherming: raakt een project een Natura 2000-gebied, dan is sprake van een Natura 2000-activiteit en moet worden onderzocht of significante gevolgen zijn uit te sluiten. Kunnen die niet worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling aan de orde. Het tweede spoor is soortenbescherming: voor het opzettelijk doden of verstoren van beschermde soorten en het aantasten van voortplantings- of rustplaatsen kan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig zijn, meestal bij de provincie.

Beide sporen komen voort uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast begrenst en beschermt de provincie het Natuurnetwerk Nederland. Of hier een natuurtoestemming nodig is, en welke, staat niet op voorhand vast: dat volgt pas uit de projectspecifieke beoordeling door het bevoegd gezag. Wij schrijven daarom niet dat een natuurvergunning voor Ondersloot vereist is; wij schrijven dat moet worden vastgesteld of en welke toestemming aan de orde is.

Wat een navolgbaar ecologisch onderzoek inzichtelijk maakt

Resultaten van onderzoek bij andere turbinetypen kunnen niet zonder nadere beoordeling worden overgenomen. Rotordiameter, tiplaagte, tiphoogte, draaisnelheid, turbineopstelling en het lokale gebruik van het luchtruim door vogels en vleermuizen moeten worden onderzocht.

Onderstaande punten zijn onze onderzoekseisen en aandachtspunten, geen opsomming van wettelijk voorgeschreven detailniveau. Wij vragen erom omdat een rapport zonder deze gegevens niet controleerbaar is.

  • de begrenzing van het onderzoeksgebied en de motivering daarvan;
  • de onderzoeksperiode en de seizoensdekking, inclusief trek- en broedseizoen;
  • het aantal en de data van veldbezoeken;
  • de gebruikte databronnen naast eigen veldwerk;
  • de onderzochte soortgroepen en de criteria voor selectie;
  • de waarnemingsmethoden, inclusief apparatuur en meetopstelling;
  • vastgestelde vliegroutes en vlieghoogtes;
  • de aannames in gebruikte modellen, waaronder uitwijkgedrag;
  • de gehanteerde turbineposities en afmetingen;
  • het cumulatiescenario, inclusief De Veenwieken;
  • de onzekerheidsmarges rond de uitkomsten;
  • effecten tijdens zowel aanleg als gebruik;
  • de voorgestelde maatregelen en de verwachte werking daarvan;
  • de resteffecten na maatregelen;
  • de onzekerheden, gevoeligheidsanalyses en vooraf vastgelegde grenzen voor onaanvaardbare effecten;
  • openbaarmaking van ruwe of voldoende herleidbare onderzoeksgegevens.

Onderzoeksprogramma dat uit de literatuur volgt

De hierboven aangehaalde wetenschappelijke literatuur laat zich vertalen naar concrete onderzoeksvragen voor deze locatie. Wij presenteren deze punten als vereisten voor een navolgbare en controleerbare beoordeling, niet als opsomming van wettelijke verplichtingen; alleen waar een concrete juridische bron een verplichting bevestigt, is daarvan sprake.

  • systematische inventarisatie van broedvogels, lokale vogels en seizoenstrek;
  • gerichte aandacht voor de rode wouw en andere relevante roofvogels;
  • registratie van vliegrichting, vlieghoogte en gedrag;
  • onderzoek naar foerageer-, rust- en verbindingsroutes;
  • voldoende seizoensdekking;
  • transparante verantwoording van de waarnemingsinspanning;
  • onderzoek op relevante tijden van dag en nacht;
  • vleermuisonderzoek op grondniveau en, waar nodig, op rotorhoogte;
  • weers- en activiteitsgegevens gekoppeld aan de metingen;
  • een openbaar botsingsmodel met aannames en onzekerheden;
  • een cumulatieve beoordeling samen met De Veenwieken;
  • een nulmeting van de bestaande ecologische situatie;
  • seizoensdekkend veldonderzoek vóór verdere besluitvorming;
  • een wetenschappelijk onderbouwde berekening van aanvaringsrisico’s per relevante soort;
  • voorzichtige onzekerheidsmarges voor niet-waargenomen of onderschatte sterfte;
  • vooraf vastgelegde beoordelings- en afwijzingscriteria;
  • vooraf vastgelegde bestuurlijke gevolgen van onaanvaardbare uitkomsten.

Wat de technische verkenning van 2023 voor de gemeente wel en niet onderzocht, staat op de pagina Pondera-verkenning 2023. Die verkenning was geen ecologische effectbeoordeling.

Welk bestuursorgaan de natuurtoets uiteindelijk beoordeelt en welke provinciale kaders daarbij gelden, leggen wij uit op de pagina Provincie Overijssel: kaders, selectie en bevoegdheden.

Materialen, slijtage en einde levensduur

Rotorbladen kunnen eroderen en materiaaldeeltjes verliezen. Het RIVM acht het aannemelijk dat chemische stoffen en microplastics uit coatings door slijtage in bodem en water terechtkomen, maar stelt geen gezondheids- of milieuschade vast en adviseert nader onderzoek. Voor Ondersloot 3 zijn turbinetype, materiaalgebruik en ontmantelingsplan nog niet vastgesteld. De volledige uitwerking, inclusief de RIVM-quickscan en de eisen aan demontage en verwerking, staat op de zelfstandige pagina Materialen, slijtage en ontmanteling.

Volledige onderzoeken en bronnen

Hieronder staan de uitgebreide onderzoeks- en bronbesprekingen. Zij zijn inklapbaar; de volledige inhoud blijft beschikbaar en via directe links bereikbaar.

Onderzoeken met beperkte, gemengde of niet-eenduidige uitkomsten

Adams, Gulka & Williams 2021; Whitby e.a. 2024

Wat is onderzocht?
Operationele beperking en vleermuissterfte bij Noord-Amerikaanse windparken.
Wat was de uitkomst?
Stilstandregelingen verminderen gemiddeld de geschatte vleermuissterfte.
Welke beperkingen gelden?
Regelingen en locaties verschillen; reductie is geen nul sterfte en is geen lokaal verwacht percentage.
Wat betekent dit wel en niet voor Ondersloot 3?
Voor Ondersloot moeten de locatiekeuze, modelaannames, detectiecorrecties, onzekerheidsmarges en afwijzingscriteria vóór verdere besluitvorming projectspecifiek worden vastgesteld.

Lees de bronbespreking en onderbouwing

Deze uitkomst is relevant voor een evenwichtige beoordeling, maar vormt geen projectspecifieke beoordeling van Ondersloot 3.

Vogels en aanvaringsrisico

Welke vogels het betreft

Bij een windpark gaat het niet om ‘de vogels’ als één groep. Onderscheid is nodig tussen standvogels die het gebied het hele jaar gebruiken, broedvogels met vaste nest- of rustplaatsen, vogels die er foerageren en soorten die alleen in het trekseizoen overvliegen. Voor elk van die groepen gelden andere gegevens en andere risico’s.

Waarvan het risico afhangt

Uit onderzoek volgt dat het aanvaringsrisico samenhangt met soortgedrag, gebruikte vlieghoogte ten opzichte van het rotorvlak, weersomstandigheden en zicht, de tijd van dag en jaar, en met de opstelling en afmetingen van de turbines. Grote, langzaam vliegende soorten en soorten die tijdens het jagen naar de grond kijken, worden in de literatuur als kwetsbaarder beschreven.

Een internationale review van 111 geselecteerde publicaties over aanvaringen bij windparken (Marques e.a., 2014) komt tot dezelfde kern: risico ontstaat uit een combinatie van soort-, locatie- en windparkkenmerken. Relevante factoren zijn onder meer gedrag, seizoen, landschap, vliegroutes, voedselbeschikbaarheid, weer, turbinetype, opstelling en verlichting. De review concludeert dat er geen universeel sterftecijfer bestaat en geen enkele maatregel die overal toepasbaar is; locatiekeuze en soortspecifiek onderzoek zijn essentieel. Die conclusie voorspelt niets voor Stegeren, maar bepaalt wel welk onderzoek hier nodig is. De samengevatte studies betreffen overwegend windparken uit eerdere jaren met turbines die aanzienlijk lager zijn dan 280 meter; hoogtes, afstanden en aantallen verschillen per studie en zijn in de review niet uniform vastgelegd.

Wat Nederlands onderzoek liet zien

Een Nederlandse peer-reviewed studie (Krijgsveld e.a., 2009, Ardea) onderzocht gedurende drie maanden in herfst en winter drie Nederlandse windparken met toenmalige turbines van 1,65 MW. De gevonden slachtoffers werden gecorrigeerd voor vindkans en verdwijning. Een relevant resultaat is dat niet alleen nachtelijke seizoenstrekkers, maar ook lokale, overdag actieve vogels onder de gevonden slachtoffers voorkwamen.

De onderzochte turbines, locaties en onderzoeksperiode verschillen van Ondersloot. De gemeten aantallen en risico’s mogen daarom niet naar vier moderne turbines bij Stegeren worden omgerekend. Wij nemen de historische aantallen uit die studie hier dan ook niet over: relevant is de methode en de bevinding dat ook lokale dagactieve vogels in beeld moeten komen. De onderzochte turbines van 1,65 MW zijn aanzienlijk lager dan de onderzoeksvariant van 280 meter voor Ondersloot; hoe rotoroppervlak en rotorhoogte de aanvaringskans bij die afmetingen beïnvloeden, volgt uit deze studie niet.

Gemodelleerd risico is geen gevonden slachtoffer

Een aanvaringsberekening is een model: er wordt met aannames gerekend over aantallen vliegbewegingen, vlieghoogtes, uitwijkgedrag en draaiuren. Een monitoringonderzoek telt gevonden slachtoffers. Beide zijn nuttig, maar zij zijn niet inwisselbaar. Bij kadaveronderzoek geldt bovendien dat lang niet alle slachtoffers worden gevonden: predatoren nemen kadavers mee, begroeiing bemoeilijkt het zoeken en de zoekefficiëntie verschilt per waarnemer en terrein. Zonder correctiefactoren voor vindkans en verdwijnkans onderschat een telling de werkelijke sterfte.

Botsingsmodellen combineren informatie over vogels, vliegbewegingen en turbines met aannames over onder meer uitwijkgedrag. Een review van tien modellen (Johnston e.a., 2016) liet zien dat slechts een deel variabiliteit en onzekerheid expliciet meenam. Een berekende aanvaringskans is daarom een modeluitkomst met aannames en geen telling van toekomstige slachtoffers. Dat maakt zo’n model niet onbruikbaar: het is een hulpmiddel waarvan de aannames controleerbaar moeten zijn.

Een openbaar Ondersloot-onderzoek moet daarvoor minimaal tonen:

  • het gebruikte model en de versie daarvan;
  • de turbinekenmerken;
  • de lokale vogelaantallen;
  • de vastgestelde vlieghoogten;
  • de rotorzone;
  • de gehanteerde vliegsnelheden;
  • het gehanteerde uitwijkpercentage;
  • de doorgerekende scenario’s;
  • een gevoeligheidsanalyse;
  • de onzekerheidsmarges.

Waarom wij geen algemeen sterftecijfer overnemen

RVO noemt voor heel Nederland een ordegrootte van ongeveer 50.000 vogelslachtoffers per jaar door windturbines, tegenover ongeveer 2 miljoen door verkeer en ongeveer 18 miljoen door katten. Dat is een landelijk totaal over het gehele turbinepark: zonder uitsplitsing naar soort, locatie, turbinetype, onderzoeksperiode of methode, en met een aanzienlijke onzekerheidsmarge. Het is daarom geen maat voor wat bij vier turbines op deze locatie te verwachten is. Bepalend is welke soorten hier voorkomen en hoe kwetsbaar de betrokken populaties zijn.

Beschermde soorten en vaste plaatsen

Onder de Omgevingswet gelden verboden rond het opzettelijk doden of verstoren van beschermde soorten en rond het beschadigen van voortplantings- of rustplaatsen. Of die verboden hier aan de orde zijn en of daarvoor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig is, hangt af van welke soorten aanwezig zijn en van de gekozen opstelling. Dat is een projectspecifieke beoordeling door het bevoegd gezag.

Vleermuizen

Vleermuizen zijn in Nederland beschermd en zijn volgens RVO kwetsbaarder dan vogels: het gaat om kleinere populaties met weinig jongen per jaar, waardoor extra sterfte zwaarder doorwerkt.

Mechanismen

Vleermuizen kunnen door contact met bewegende turbineonderdelen en mogelijk door sterke drukveranderingen rond de rotor omkomen. De relatieve bijdrage van de verschillende mechanismen is niet voor iedere situatie vastgesteld; barotrauma kan daarom niet als dé verklaring voor vleermuissterfte worden gepresenteerd.

Wat Europees onderzoek laat zien

Een Europese review van mogelijke beschermingsmaatregelen (Peste e.a., 2015) bevestigt dat vleermuizen door turbines kunnen omkomen en dat risico en activiteit per soort, seizoen en landschap verschillen. De review benadrukt dat maatregelen de mitigatiehiërarchie moeten volgen: eerst voorkomen, dan beperken, en pas daarna resterende effecten beoordelen of compenseren. Voorkomen door een goede locatiekeuze gaat daarbij vóór operationele beperking of compensatie. De review beoordeelt geen locaties en bepaalt dus niet welke maatregel bij Ondersloot passend is.

Soort, seizoen, weer en landschap

Vooral soorten die hoog en in open lucht jagen of trekken lopen risico. De Zoogdiervereniging beschrijft dat de meeste slachtoffers in de nazomer en herfst vallen, in de trekperiode, en vooral bij relatief warme nachten met weinig wind. Ook het tijdstip in de nacht speelt een rol. Landschapselementen als houtwallen, bosranden en waterlopen worden als foerageer- en vliegroute gebruikt; de ligging daarvan ten opzichte van de turbines is dus relevant.

Dat vleermuisactiviteit niet door één vaste factor wordt bepaald, blijkt ook uit onderzoek met meerjarige akoestische gegevens bij 34 turbines in Frankrijk (Barré e.a., 2023). Activiteit hing daar samen met landschap, weer, seizoen en turbinegebruik, en gecombineerde, locatiespecifieke algoritmen konden blootstelling gerichter beperken dan één algemene vaste drempelwaarde. Het betreft Franse locaties; akoestische activiteit is bovendien niet hetzelfde als een vastgesteld slachtofferaantal, en de studie bepaalt niet welke instellingen voor Ondersloot nodig zijn. Turbinehoogtes en afstanden tot bebouwing konden wij uit de publicatie niet vaststellen; het gaat om bestaande parken met turbines die naar verwachting lager zijn dan 280 meter.

Stilstand als mogelijke maatregel

Een veelgebruikte maatregel is stilstand bij specifieke omstandigheden: de turbine draait niet bij combinaties van seizoen, tijdstip, temperatuur en lage windsnelheid waarbij veel vleermuisactiviteit wordt verwacht. Het verschil tussen een generieke stilstandvoorziening en een locatiespecifiek voorschrift is wezenlijk: pas wanneer de drempelwaarden, de periode en de controle in een besluit of vergunningvoorschrift staan, is de maatregel juridisch afdwingbaar en toetsbaar.

Voor Ondersloot is nog geen openbare soort- en locatiespecifieke beoordeling beschikbaar waaruit blijkt welke vleermuissoorten, vliegroutes en risicoperioden kunnen worden geraakt en of een onaanvaardbaar aanvaringsrisico kan worden uitgesloten.

Leefgebieden, verstoring en cumulatie

Tijdens de aanleg

De aanlegfase brengt tijdelijke effecten mee: grondwerk en heien, zwaar transport, tijdelijke werkterreinen, bouwverlichting en menselijke aanwezigheid. Of dit tot verstoring van broedende of rustende dieren leidt, hangt vooral af van de planning ten opzichte van kwetsbare periodes.

Permanente veranderingen in het terrein

Blijvend zijn de funderingen, de kraanopstelplaatsen, verharde toegangswegen en de kabeltracés naar het aansluitpunt. Die ingrepen veranderen bodem, waterhuishouding en vegetatie op de betrokken percelen en kunnen doorwerken op soorten die daaraan gebonden zijn.

Verstoring en gebiedsvermijding

Beweging van de rotor, geluid, onderhoudsverkeer en menselijke activiteit kunnen ertoe leiden dat dieren de directe omgeving minder of niet meer gebruiken. Het gebied gaat dan niet fysiek verloren, maar wordt in de praktijk kleiner. Hoe groot zo’n vermijdingszone bij Ondersloot kan zijn, volgt niet betrouwbaar uit algemene studies. Dat moet vóór verdere besluitvorming met actueel lokaal veldonderzoek, een nulmeting, soortspecifieke gegevens en controleerbare onzekerheidsmarges worden beoordeeld.

Een systematische review naar verplaatsing van vogels, vleermuizen en landzoogdieren bij windparken op land (Tolvanen e.a., 2023) vond in een aanzienlijk deel van de onderzochte gevallen aanwijzingen voor vermijding of verplaatsing, maar de uitkomsten en afstanden verschilden sterk tussen soorten en studies. Wij gebruiken die percentages nadrukkelijk niet als lokale kans voor Ondersloot, en de gevonden afstanden zijn geen Nederlandse wettelijke afstandsnorm. Er valt geen algemene verstoringsafstand uit af te leiden; de review onderstreept juist de noodzaak van soort- en locatiespecifiek onderzoek vóór verdere besluitvorming. Turbinehoogte en parkomvang verschillen sterk tussen de opgenomen studies en zijn niet per geval vastgelegd; ook daarom zijn de gevonden afstanden niet naar turbines van 280 meter bij Ondersloot te vertalen.

Doorsnijding van routes en barrièrewerking

Een lijnopstelling kan dwars op een vlieg- of trekroute staan. Dieren wijken dan uit, wat extra energie kost en de verbinding tussen leefgebieden kan verzwakken. Of dat hier speelt, hangt af van de ligging van routes ten opzichte van de uiteindelijke posities.

Wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van windparken op vogels (Drewitt & Langston, 2006) beschrijft dat vogels lokale routes en trekroutes kunnen aanpassen. Reacties lopen uiteen van kleine veranderingen in hoogte of richting tot grotere omwegen, afhankelijk van soort, type beweging, turbineopstelling, seizoen, tijdstip, weer en windrichting. Barrièrewerking kan zo extra vliegafstand en extra energiegebruik veroorzaken. Hoe groot dat hier zou zijn, is zonder lokale gegevens niet vast te stellen.

Zweefvliegende vogels: een illustratief voorbeeld

Voor zweefvliegende trekvogels is dit soortspecifiek onderzocht: bij zwarte wouwen in een migratiecorridor bij Gibraltar bleek geschikt zweefgebied rond turbines minder te worden gebruikt (Marques e.a., 2020, Journal of Animal Ecology). Die gevonden afstand is geen grenswaarde voor rode wouwen en zeker niet voor Stegeren. Het voorbeeld laat vooral zien waarom routegebruik en geschikt zweefgebied hier lokaal onderzocht moeten worden.

Verlichting hangt hiermee samen: obstakelverlichting is verplicht en kan nachtactieve soorten beïnvloeden. De regels en de mogelijkheden om te dimmen of naderingsdetectie te gebruiken beschrijven wij op de pagina Landschap, recreatie en leefomgeving, waar ook de visuele en recreatieve kant aan de orde komt.

Cumulatie met De Veenwieken en andere ontwikkelingen

Dieren houden zich niet aan projectgrenzen. Voor soorten die zich door het gebied verplaatsen telt niet alleen Ondersloot, maar ook de bestaande turbinelijn van De Veenwieken en andere obstakels en ontwikkelingen in de omgeving. Een beoordeling die alleen dit project bekijkt, laat die optelling buiten beeld.

Wat de wetenschap over cumulatie zegt

Een conceptueel raamwerk voor cumulatieve beoordeling bij windparken en vogels (Masden e.a., 2010) wijst erop dat afzonderlijk kleine effecten gezamenlijk betekenisvol kunnen zijn. Cumulatieonderzoek moet daarom transparant zijn over welke effecten, welke projecten, welke uitgangssituatie, welke ruimtelijke schaal en welke tijdsperiode worden meegenomen. Alleen de projectgrens van Ondersloot gebruiken kan effecten buiten beeld laten; andere relevante projecten en autonome ontwikkelingen moeten gemotiveerd worden meegenomen. Dit raamwerk zegt niets over de vraag of bij Stegeren schade optreedt — het beschrijft hoe die vraag beantwoord moet worden.

Wat cumulatief zou moeten worden beoordeeld

  • de gezamenlijke turbineopstelling en het totale aantal turbines in het gebied;
  • de ruimtelijke samenhang: onderlinge afstanden, richting en openingen tussen lijnen;
  • mogelijke kruisende vlieg- en trekroutes tussen beide opstellingen;
  • barrièrewerking van de opstellingen samen;
  • de totale aanvaringskans voor soorten die beide gebieden gebruiken;
  • verstoring en gebiedsvermijding op de schaal van het hele gebied;
  • de gezamenlijke nachtelijke verlichting;
  • werkzaamheden, onderhoudsverkeer en infrastructuur van beide parken;
  • andere relevante projecten en autonome ontwikkelingen in het onderzoeksgebied.

Vier dingen die uit elkaar moeten blijven

  • Projectspecifieke effecten van Ondersloot: wat dit park zelf toevoegt.
  • Bestaande belasting door De Veenwieken: wat er nu al is, los van dit plan.
  • Gezamenlijke of cumulatieve effecten: wat pas ontstaat door de combinatie.
  • Autonome ontwikkelingen: veranderingen die ook zonder dit project optreden.

Openstaande vraag

Nog geen cumulatieve natuurbeoordeling in het projectdossier

Een relevante vraag waarop wij in de gecontroleerde openbare bronnen nog geen volledig antwoord hebben gevonden. Een openstaande vraag is geen beschuldiging.

Een openbare cumulatieve natuurbeoordeling van Ondersloot 3 en De Veenwieken samen maakt volgens de openbare provinciale informatie nog geen deel uit van het besluitvormingsdossier. Die gezamenlijke beoordeling moet vanaf het begin onderdeel zijn van de onderzoeksopzet. Alleen afzonderlijk naar Ondersloot 3 kijken is in deze situatie onvoldoende.

Landbouwhuisdieren, waaronder koeien en paarden

Concrete nadelige effecten op landbouwhuisdieren zijn bij Ondersloot niet vastgesteld. Volgens lokale gebiedskennis worden in en rond het onderzoeksgebied koeien en paarden gehouden. Deze informatie moet bij de onderzoeksopzet worden gecontroleerd en ruimtelijk worden geïnventariseerd, zonder persoonsgegevens of informatie over individuele eigenaren openbaar te maken. In een eventuele NRD en in het MER moet worden bepaald welke effecten en blootstellingsroutes redelijkerwijs onderzocht moeten worden.

Wat zegt onderzoek? Volgens het Europese referentiecentrum voor dierenwelzijn van herkauwers en paarden (EURCAW) ontbreekt wetenschappelijke kennis die rechtstreeks gaat over runderen en windturbines; aanbevolen afstanden zijn daarom niet bekend. EURCAW, oktober 2024 (opent in een nieuw tabblad) Een Spaans literatuuroverzicht noemt geluid, slagschaduw, laagfrequent geluid en infrageluid als mogelijke stressbronnen voor grazend vee, en wijst op het beperkte aantal studies. Blanco-Penedo e.a., 2024 (opent in een nieuw tabblad) Het Franse nationale paardeninstituut IFCE beschrijft voor turbines van ongeveer 150 meter vooral schrikreacties en geen aangetoonde lichamelijke schade; vermoede gevolgen van infrageluid bij paarden zijn in later onderzoek niet bevestigd. IFCE, 2022 (opent in een nieuw tabblad) In de op deze pagina aangehaalde bronnen is geen onderzoek opgenomen naar landbouwhuisdieren bij reguliere windturbines met een tiphoogte rond 280 meter.

Relevante onderzoeksvragen kunnen onder meer gaan over:

  • geluid en laagfrequent geluid;
  • slagschaduw en verlichting;
  • veranderingen in gedrag en stressindicatoren;
  • voortplanting, gezondheid en productie.

Daarbij is onderscheid nodig tussen effecten die wetenschappelijk zijn aangetoond, signalen uit de praktijk en veronderstellingen die nog niet zijn onderzocht. Een nulmeting van de bestaande situatie, een inventarisatie van beschikbare praktijksignalen en een onafhankelijke beoordeling van de wetenschappelijke kennis moeten vóór verdere besluitvorming duidelijk maken welke risico’s aannemelijk, onzeker of niet onderbouwd zijn.

Onderzoeksmethoden en onzekerheden

Onderstaande onderzoeken en methoden worden hier uitsluitend besproken om de risico’s, beperkingen en onzekerheden vóór verdere besluitvorming te kunnen beoordelen. Zij vormen geen vervanging voor een volledige projectspecifieke ecologische beoordeling met vooraf vastgelegde afwijzingscriteria.

Onderstaande onderzoeken en praktijkvoorbeelden laten zien welke ecologische risico’s, modelbeperkingen en onzekerheden vóór verdere besluitvorming moeten worden beoordeeld. Zij bewijzen niet dat de gevolgen voor Ondersloot aanvaardbaar zijn.

  • soort- en locatiespecifiek veldonderzoek in alle relevante seizoenen;
  • inventarisatie van broed-, rust-, foerageer- en vliegroutes;
  • voorzichtige aanvarings- en verstoringsberekeningen per relevante soort;
  • een cumulatieve beoordeling samen met De Veenwieken;
  • vooraf vastgelegde criteria voor onaanvaardbare ecologische effecten.

Wat onderzoek zegt over de werking van stilstand

Een meta-analyse van 36 vergelijkingen uit 17 Noord-Amerikaanse windparken (Adams, Gulka & Williams, 2021) laat zien dat operationele beperking de geschatte vleermuissterfte gemiddeld verminderde. De onderzoeken verschilden in locatie, regeling en onderzoeksopzet, en de exacte relatie tussen een hogere startsnelheid en extra reductie bleef onzeker. Een overzicht van tien jaar curtailmentonderzoek (Whitby e.a., 2024) komt tot eenzelfde beeld. Wij nemen die reductiepercentages hier niet over als verwachting voor Stegeren: het zijn uitkomsten van een Noord-Amerikaanse steekproef, bij windparken met turbines die aanzienlijk lager zijn dan 280 meter en in een ander landschap en ander soortenspectrum.

Er is nog weinig gemeten praktijkervaring bij bestaande reguliere onshoreturbines van 280 meter of hoger. Voorafgaand model- en locatieonderzoek blijft mogelijk, maar moet duidelijk worden onderscheiden van meetgegevens van reeds operationele turbines. Bekijk de actuele inventarisatie van turbines van deze hoogte →

Studies bij bestaande windparken laten zien dat de geschatte vleermuissterfte onder bepaalde omstandigheden kan worden verminderd, maar bewijzen niet dat de ecologische gevolgen van Ondersloot aanvaardbaar zijn. Voor Ondersloot moeten de aanwezige soorten, vliegroutes, risicoperioden, modelaannames en cumulatieve gevolgen vóór verdere besluitvorming projectspecifiek worden beoordeeld. Wanneer ernstige schade niet kan worden uitgesloten of een onaanvaardbaar risico resteert, kan het plan niet verder.

Kadaveronderzoek en detectiegrenzen

Het aantal gevonden slachtoffers is niet automatisch gelijk aan de werkelijke sterfte. Een betrouwbare schatting moet onder meer rekening houden met vindkans, verwijdering door aaseters of ontbinding, zoekfrequentie en het deel van het gebied dat daadwerkelijk is onderzocht (Korner-Nievergelt e.a., 2011; Huso, 2011). Voor die correcties bestaat gestandaardiseerde methodiek, waaronder de USGS-software GenEst.

  • een nulwaarneming bewijst niet automatisch nul sterfte;
  • resultaten moeten met detectiecorrecties en onzekerheidsmarges worden gepubliceerd;
  • zoekefficiëntie kan verschillen tussen kleine vleermuizen en grotere vogels;
  • onderzoeksresultaten zijn moeilijk vergelijkbaar als de methoden verschillen.

Op deze pagina onderscheiden wij algemene onderzoekskennis, praktijkervaring bij bestaande windparken en projectspecifieke informatie. Algemene maatregelen uit literatuur of praktijk elders bewijzen niet dat de gevolgen voor Ondersloot aanvaardbaar zijn. Voor Ondersloot ontbreekt nog een openbare projectspecifieke ecologische beoordeling met definitieve turbinegegevens, controleerbare onzekerheidsmarges en vooraf vastgelegde afwijzingscriteria.

Gerelateerde artikelen

Journalistieke berichtgeving als context. Deze artikelen vervangen de primaire bronnen en besluiten op deze pagina niet.

  • Provincie Zeeland legt twintig windmolens stil vanwege uitvliegende zeearenden (opent in een nieuw tabblad)

    Trouw · publicatiedatum niet vermeld · geraadpleegd op 8 augustus 2026 · Nieuws Secundaire bron · mogelijk achter een betaalmuur

    De provincie Zeeland legde twintig windmolens stil vanwege uitvliegende zeearenden. Dit onderstreept dat vliegroutes, kwetsbare perioden en aanvaringsrisico’s vóór besluitvorming zorgvuldig en soortspecifiek moeten worden onderzocht.

    Journalistieke berichtgeving over een ingreep bij een bestaand windpark. De gebeurtenis bewijst niets over de soorten of het risico bij Stegeren, maar laat zien waarom onzekerheden over beschermde soorten niet naar een later moment mogen worden doorgeschoven.

  • Windpark bij Kreekraksluizen moet turbines uitzetten na botsingen met zeearenden (opent in een nieuw tabblad)

    AD · publicatiedatum niet vermeld · geraadpleegd op 8 augustus 2026 · Nieuws Secundaire bron · mogelijk achter een betaalmuur

    Windpark Kreekraksluizen moest turbines uitzetten na botsingen met zeearenden.

    Journalistieke berichtgeving over aanvaringen met zeearenden bij een ander windpark; context bij het aanvaringsrisico, geen ecologische beoordeling van Ondersloot.

  • Dodelijke botsingen zeearend-windturbine in Flevoland (opent in een nieuw tabblad)

    Hart van Nederland · publicatiedatum niet vermeld · geraadpleegd op 8 augustus 2026 · Nieuws Secundaire bron

    Bericht over dodelijke botsingen van zeearenden met windturbines in Flevoland.

    Journalistieke berichtgeving over aanvaringen in Flevoland; ander landschap en andere soortensituatie, dus niet overdraagbaar op Stegeren.

Bekijk alle artikelen over dit onderwerp

Bronnen en documenten

33 bronnenToon alle bronnenVerberg bronnen
  1. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM

    Eerste inzicht in emissies van chemische stoffen bij windturbines op land – Resultaten quickscan

    7 april 2023 · Officieel onderzoeksrapport / quickscan · officiële toelichting

    Algemene verkenning van windturbines op land; geen projectspecifiek onderzoek naar Windpark Ondersloot.

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)Rechtstreekse rapportlink (pdf) (opent in een nieuw tabblad)

  2. eur-lex.europa.eu

    Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG)

    2009 · officiële toelichting

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  3. eur-lex.europa.eu

    Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG)

    officiële toelichting

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  4. doi.org

    Blanco-Penedo e.a. (2024) — Relación entre las estructuras físicas asociadas a las energías renovables y la salud y el bienestar del ganado extensivo

    2024 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  5. besjournals.onlinelibrary.wiley.com

    Whitby e.a. (2024) — A decade of curtailment studies demonstrates a consistent and effective strategy to reduce bat fatalities at wind turbines in North America

    2024 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  6. doi.org

    Barré e.a. (2023) — Drivers of bat activity at wind turbines advocate for mitigating bat exposure using multicriteria algorithm-based curtailment

    2023 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  7. doi.org

    Tolvanen e.a. (2023) — How far are birds, bats, and terrestrial mammals displaced from onshore wind power development?

    2023 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  8. journals.plos.org

    Adams, Gulka & Williams (2021) — A review of the effectiveness of operational curtailment for reducing bat fatalities at terrestrial wind farms in North America

    2021 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  9. besjournals.onlinelibrary.wiley.com

    Marques e.a. (2020) — Wind turbines cause functional habitat loss for migratory soaring birds

    2020 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  10. sciencedirect.com

    Johnston e.a. (2016) — Avian collision risk models for wind energy impact assessments

    2016 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  11. sciencedirect.com

    Marques e.a. (2014) — Understanding bird collisions at wind farms: an updated review on the causes and possible mitigation strategies

    2014 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  12. onlinelibrary.wiley.com

    Huso (2011) — An estimator of wildlife fatality from observed carcasses

    2011 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  13. doi.org

    Korner-Nievergelt e.a. (2011) — A new method to determine bird and bat fatality at wind energy turbines from carcass searches

    2011 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  14. doi.org

    Masden e.a. (2010) — Cumulative impact assessments and bird/wind farm interactions: developing a conceptual framework

    2010 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  15. onlinelibrary.wiley.com

    Drewitt & Langston (2006) — Assessing the impacts of wind farms on birds

    2006 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  16. iplo.nl

    Bescherming van gebieden onder de Omgevingswet — IPLO

    2026 · officiële toelichting

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  17. iplo.nl

    Bescherming van soorten onder de Omgevingswet — IPLO

    2026 · officiële toelichting

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  18. rvo.nl

    Hoe beschermt u de natuur bij een windturbine? — RVO

    2026 · officiële toelichting

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  19. bij12.nl

    Kennisdocumenten soorten — BIJ12

    2026 · officiële toelichting

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  20. tethys.pnnl.gov

    Peste e.a. (2015) — How to mitigate impacts of wind farms on bats? A review of potential conservation measures in the European context

    2015 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  21. research.wur.nl

    Krijgsveld e.a. (2009) — Collision risk of birds with modern large wind turbines

    2009 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  22. natura2000.nl

    Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied

    2000 · officiële toelichting

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  23. usgs.gov

    GenEst — generalized estimator of mortality (USGS)

    onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  24. rvo.nl

    Natuur onder de Omgevingswet — RVO

    officiële toelichting

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  25. rijksoverheid.nl

    Natuurnetwerk Nederland — Rijksoverheid

    officiële toelichting

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  26. iplo.nl

    Rijksregels voor activiteiten met gevolgen voor de natuur — IPLO

    officiële toelichting

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  27. waarneming.nl

    Rode wouw gespot bij Stegerveld

    2025 · bron van betrokken organisatie

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  28. waarneming.nl

    Rode wouw boven de Overijsselse Vecht

    2024 · bron van betrokken organisatie

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  29. waarneming.nl

    Rode wouwen waargenomen in Stegerveld (2024-2025)

    2024 · bron van betrokken organisatie

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  30. zoogdiervereniging.nl

    Effecten van windturbines op vleermuizen — Zoogdiervereniging

    bron van betrokken organisatie

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  31. netwerkgroenebureaus.nl

    Vleermuisprotocol — Netwerk Groene Bureaus

    bron van betrokken organisatie

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  32. eurcaw-ruminants-equines.eu

    EURCAW Ruminants & Equines (2024) — Wind turbine effects on bovine

    2024 · bron van betrokken organisatie

    PDF openen (opent in een nieuw tabblad)

  33. equipedia.ifce.fr

    IFCE Equipedia (2022) — Wind turbines and horse husbandry

    2022 · bron van betrokken organisatie

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

Bekijk ook de rubriek Wetenschappelijk onderzoek in het volledige bronnenregister. De bronnen van deze pagina staan in meerdere rubrieken.

Controlestatus van deze pagina

Tekst, presentatie en werking gecontroleerd: 18 oktober 2026.

Broninhoud: datum volledige inhoudelijke controle niet geregistreerd.