Gevolgen
Natuur en milieu
Vogels, vleermuizen en leefgebieden: algemene kennis, lokale waarnemingen en eisen aan de ecologische beoordeling van Ondersloot 3.
Ons standpunt
Leefbaar Stegeren is tegen Windpark Ondersloot 3. De komende onderzoeken zijn nodig om gevolgen controleerbaar in beeld te brengen en inwoners te beschermen, maar veranderen ons standpunt over dit plan en deze locatie niet.
Aanvaringsslachtoffers en verstoring zijn bekende risico’s; soorten en vliegroutes vragen lokaal veldonderzoek.
Natuur en milieu in één minuut
Windturbines kunnen vogels en vleermuizen doden en kunnen leiden tot verstoring en vermijding van leefgebied; de omvang verschilt sterk per soort, seizoen en locatie. Rond Stegerveld en boven de Overijsselse Vecht zijn rode wouwen waargenomen, wat gericht lokaal onderzoek noodzakelijk maakt.
Hoe groot de gevolgen bij Ondersloot 3 zouden zijn, is niet vastgesteld: daarvoor is locatiespecifiek veldonderzoek naar soorten, vliegroutes en vlieghoogtes nodig, inclusief het gezamenlijke effect met De Veenwieken. Die beoordeling moet vóór verdere besluitvorming openbaar en controleerbaar zijn.

Lokale waarnemingen
Rode wouw waargenomen rond het zoekgebied
De aanwezigheid van de rode wouw in en rond het gebied is met geaccepteerde waarnemingen aangetoond. Daarmee is gericht onderzoek naar vliegroutes, vlieghoogten, foerageergebied en aanvaringsrisico geen vrijblijvende aanvulling, maar een noodzakelijk onderdeel van de ecologische beoordeling, inclusief het gezamenlijke effect van Ondersloot en De Veenwieken.
De waarnemingen uit 2024 en 2025 in en rond Stegerveld en boven de Overijsselse Vecht bewijzen nog niet hoe groot het aanvaringsrisico bij Windpark Ondersloot is.
Waarneming.nl is een vrijwilligersregistratiebron, geen onafhankelijk ecologisch onderzoeksrapport. De waarnemingen tonen aanwezigheid aan, geen broedgeval, vaste verblijfplaats of vliegroute.
Wat weten we, en hoe zeker is dat?
Wij delen bevindingen op deze pagina in naar bewijskracht, zodat duidelijk is wat stevig is onderbouwd en wat nog een vraag is.
- Sterk onderbouwd
- Dat windturbines slachtoffers kunnen maken onder vogels en vleermuizen en dat effecten per soort, seizoen en locatie sterk verschillen, volgt uit onderzoek en uit officiële bronnen zoals RVO.
- Aanwijzingen
- Over verstoring, gebiedsvermijding en barrièrewerking bestaat onderzoek, maar de omvang hangt af van soort en gebied en is niet zonder lokaal onderzoek naar Stegeren te vertalen.
- Praktijkervaring
- Rond Stegerveld en boven de Overijsselse Vecht zijn waarnemingen van de rode wouw vastgelegd. Bekijk de lokale waarnemingen en lees waarom gericht ecologisch onderzoek nodig is.
- Nog vast te leggen in de onderzoeksopzet
- Welke soorten hier voorkomen, welke vliegroutes en leefgebieden kunnen worden geraakt, welk risico daaruit volgt, hoe dit cumuleert met De Veenwieken en welke uitkomsten betekenen dat het plan niet verder kan.
Betekenis en eisen voor Ondersloot
Wat is bekend over Ondersloot?
Vastgesteld
Wat uit openbare documenten volgt
Feiten die rechtstreeks uit openbare en controleerbare bronnen volgen.
- Het gaat om een voorgenomen windpark in het zoekgebied bij Stegeren; de omvang en status staan beschreven op de pagina Windpark Ondersloot.
- Het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied ligt onder meer in de gemeente Ommen; provincie Overijssel is voortouwnemer voor dat gebied.
- In en rond Stegerveld en boven de Overijsselse Vecht zijn waarnemingen van de rode wouw geaccepteerd in Waarneming.nl. Dat toont aanwezigheid van grote roofvogels aan. Bekijk de lokale waarnemingen.
- De technische verkenning van Pondera uit 2023 was een ruimtelijk-technische quickscan en bevatte geen ecologische effectbeoordeling voor deze locatie.
De ecologische beoordeling moet vóór verdere besluitvorming duidelijk maken welke soorten, leefgebieden en vliegroutes kunnen worden geraakt, hoe de cumulatie met De Veenwieken uitwerkt en hoe onzekerheden zijn beoordeeld. Wanneer ernstige schade niet kan worden uitgesloten, de beschikbare gegevens onvoldoende controleerbaar zijn of een onaanvaardbaar risico resteert, kan het plan niet verder.
Actuele procedurestatus
Volgens de openbare provinciale procesinformatie is de formele projectprocedure nog niet officieel gestart (peildatum 15 oktober 2026). Voorbereidende activiteiten en bestaande algemene onderzoeken zijn daarvan te onderscheiden. Zie de provinciale processtatus.
Onze eisen aan de komende onderzoeksopzet
Openstaande vraag
Nog vast te leggen in de ecologische onderzoeksopzet
Een relevante vraag waarop wij in de gecontroleerde openbare bronnen nog geen volledig antwoord hebben gevonden. Een openstaande vraag is geen beschuldiging.
De inhoudelijke onderzoekseisen staan hierboven. Procedureel moet daarnaast vóór de start duidelijk zijn:
- wie opdrachtgever is en welk bureau het onderzoek uitvoert;
- hoe de onafhankelijkheid van dat onderzoek wordt geborgd;
- welke definitieve turbineposities, welk turbinetype en welke afmetingen worden beoordeeld;
- welke beoordelingscriteria en vergunningvoorschriften rond natuur gelden;
- welke ecologische onderzoeken openbaar worden gemaakt, en wanneer;
- hoe reacties van deskundigen en zienswijzen worden verwerkt;
- welke beoordelingscriteria worden gebruikt, welke uitkomsten onaanvaardbaar zijn en welke bestuurlijke gevolgen daaraan vóór verdere besluitvorming worden verbonden.
De vragen die wij hierover hebben gesteld, staan bij Openstaande vragen. Dat een ontoereikende milieubeoordeling elders tot langlopende procedures kan leiden, laat de casus Bernagues zien bij Praktijkvoorbeelden; die zaak bewijst niets over de natuurwaarden of de houdbaarheid van een vergunning hier.
De algemene mogelijke effecten staan hieronder in een volledige tabel. De tabel is ingeklapt om eerst de lokale situatie en de hoofdvragen voor Ondersloot zichtbaar te houden.
Mogelijke effecten op natuur en milieu
Onderstaande tabel zet de effecten op een rij die bij windparken in onderzoek en regelgeving terugkomen. Niet ieder mechanisme is op iedere locatie relevant: welke effecten hier daadwerkelijk kunnen optreden, hangt af van de soorten die het gebied gebruiken en van de uiteindelijke opstelling.
| Mogelijk effect | Soortgroep of natuurwaarde | Mechanisme | Benodigde lokale informatie | Mogelijke maatregel | Status voor Ondersloot |
|---|---|---|---|---|---|
| Aanvaring | Vogels en vleermuizen die op rotorhoogte vliegen | Botsing met draaiende rotorbladen of met de mast | Soorten, vlieghoogtes, vliegbewegingen per seizoen en turbineposities | Vermijden van risicovolle posities en vooraf vastgelegde grenzen voor onaanvaardbare aanvaringsrisico’s | Nog vast te leggen in de ecologische onderzoeksopzet |
| Verstoring | Broedvogels en rustende vogels | Beweging, geluid, onderhoudsverkeer en menselijke aanwezigheid | Broedlocaties, rustgebieden en verstoringsgevoeligheid per soort | Werken buiten kwetsbare periodes, afstand tot broedlocaties | Nog vast te leggen in de ecologische onderzoeksopzet |
| Vermijding en verlies van leefgebied | Foeragerende en broedende vogels | Dieren mijden de omgeving van turbines, waardoor bruikbaar gebied kleiner wordt | Gebiedsgebruik vóór realisatie (nulmeting) en soortspecifieke vermijdingsafstanden | Andere opstelling, compensatie of inrichting van alternatief gebied | Nog vast te leggen in de ecologische onderzoeksopzet |
| Barrièrewerking | Trekvogels en pendelende soorten | Een rij turbines dwingt dieren om te vliegen, met extra energieverbruik | Ligging van vlieg- en trekroutes ten opzichte van de opstelling | Opstellingsrichting, openingen in de lijn, positionering | Nog vast te leggen in de ecologische onderzoeksopzet |
| Effecten tijdens aanleg | Alle aanwezige soorten | Grondwerk, heien, transport, tijdelijke werkterreinen en bouwverlichting | Bouwplanning, werkterreinen, transportroutes en kwetsbare periodes | Werkprotocol, ecologische begeleiding, planning buiten broedseizoen | Nog vast te leggen in de ecologische onderzoeksopzet |
| Permanente ingrepen in het terrein | Bodem, water, vegetatie en gebonden soorten | Funderingen, kraanopstelplaatsen, toegangswegen en kabeltracés | Definitief inrichtingsplan met verharding, kabeltracés en waterhuishouding | Vermijden van kwetsbare gebieden, een zorgvuldige tracékeuze en beperking van verharding | Nog vast te leggen in de ecologische onderzoeksopzet |
| Verlichting | Vogels, vleermuizen en nachtactieve soorten | Verplichte obstakelverlichting en verlichting tijdens onderhoud | Verlichtingsplan, dimregime en eventuele naderingsdetectie | Vooraf beoordelen van lichtbereik, nachtelijke verstoring en gevolgen voor vogels, vleermuizen en andere nachtactieve soorten | Nog vast te leggen in de ecologische onderzoeksopzet |
| Cumulatieve effecten | Soorten die het bredere gebied gebruiken | Optelling met De Veenwieken, infrastructuur en andere ontwikkelingen | Eén onderzoeksgebied met alle bestaande en voorziene bronnen van effect | Gezamenlijke beoordeling en afstemming van maatregelen tussen projecten | Cumulatie opnemen in de komende ecologische beoordeling |
| Sterfte onder de detectiegrens | Kleine soorten en vleermuizen | Slachtoffers worden niet gevonden door predatie, begroeiing of zoekefficiëntie | Wetenschappelijke onderbouwing van modelaannames en onzekerheidsmarges | Voorzichtige beoordeling van niet-waargenomen of onderschatte sterfte | Onzekerheden en onderschatting vooraf opnemen in de ecologische beoordeling |
| Onzekerheid in modellen | Alle beoordeelde soorten | Aannames over vluchten, uitwijkgedrag en turbinebedrijf bepalen de uitkomst | Expliciete aannames, gevoeligheidsanalyse en onzekerheidsmarges | Voorzichtige uitgangspunten, gevoeligheidsanalyses en onafhankelijke beoordeling vooraf | Modelaannames, onzekerheden en afwijzingscriteria opnemen in de onderzoeksopzet |
De juridische uitleg en de volledige inhoudelijke onderzoekseisen staan hieronder. Dit onderdeel is ingeklapt om de procedurele hoofdlijn leesbaar te houden.
Wat de komende ecologische beoordeling minimaal moet bevatten
Het juridische kader in gewone woorden
Sinds 1 januari 2024 is de natuurbescherming opgenomen in de Omgevingswet. Twee sporen zijn hier van belang. Het eerste is gebiedsbescherming: raakt een project een Natura 2000-gebied, dan is sprake van een Natura 2000-activiteit en moet worden onderzocht of significante gevolgen zijn uit te sluiten. Kunnen die niet worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling aan de orde. Het tweede spoor is soortenbescherming: voor het opzettelijk doden of verstoren van beschermde soorten en het aantasten van voortplantings- of rustplaatsen kan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig zijn, meestal bij de provincie.
Beide sporen komen voort uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast begrenst en beschermt de provincie het Natuurnetwerk Nederland. Of hier een natuurtoestemming nodig is, en welke, staat niet op voorhand vast: dat volgt pas uit de projectspecifieke beoordeling door het bevoegd gezag. Wij schrijven daarom niet dat een natuurvergunning voor Ondersloot vereist is; wij schrijven dat moet worden vastgesteld of en welke toestemming aan de orde is.
Wat een navolgbaar ecologisch onderzoek inzichtelijk maakt
Resultaten van onderzoek bij andere turbinetypen kunnen niet zonder nadere beoordeling worden overgenomen. Rotordiameter, tiplaagte, tiphoogte, draaisnelheid, turbineopstelling en het lokale gebruik van het luchtruim door vogels en vleermuizen moeten worden onderzocht.
Onderstaande punten zijn onze onderzoekseisen en aandachtspunten, geen opsomming van wettelijk voorgeschreven detailniveau. Wij vragen erom omdat een rapport zonder deze gegevens niet controleerbaar is.
- de begrenzing van het onderzoeksgebied en de motivering daarvan;
- de onderzoeksperiode en de seizoensdekking, inclusief trek- en broedseizoen;
- het aantal en de data van veldbezoeken;
- de gebruikte databronnen naast eigen veldwerk;
- de onderzochte soortgroepen en de criteria voor selectie;
- de waarnemingsmethoden, inclusief apparatuur en meetopstelling;
- vastgestelde vliegroutes en vlieghoogtes;
- de aannames in gebruikte modellen, waaronder uitwijkgedrag;
- de gehanteerde turbineposities en afmetingen;
- het cumulatiescenario, inclusief De Veenwieken;
- de onzekerheidsmarges rond de uitkomsten;
- effecten tijdens zowel aanleg als gebruik;
- de voorgestelde maatregelen en de verwachte werking daarvan;
- de resteffecten na maatregelen;
- de onzekerheden, gevoeligheidsanalyses en vooraf vastgelegde grenzen voor onaanvaardbare effecten;
- openbaarmaking van ruwe of voldoende herleidbare onderzoeksgegevens.
Onderzoeksprogramma dat uit de literatuur volgt
De hierboven aangehaalde wetenschappelijke literatuur laat zich vertalen naar concrete onderzoeksvragen voor deze locatie. Wij presenteren deze punten als vereisten voor een navolgbare en controleerbare beoordeling, niet als opsomming van wettelijke verplichtingen; alleen waar een concrete juridische bron een verplichting bevestigt, is daarvan sprake.
- systematische inventarisatie van broedvogels, lokale vogels en seizoenstrek;
- gerichte aandacht voor de rode wouw en andere relevante roofvogels;
- registratie van vliegrichting, vlieghoogte en gedrag;
- onderzoek naar foerageer-, rust- en verbindingsroutes;
- voldoende seizoensdekking;
- transparante verantwoording van de waarnemingsinspanning;
- onderzoek op relevante tijden van dag en nacht;
- vleermuisonderzoek op grondniveau en, waar nodig, op rotorhoogte;
- weers- en activiteitsgegevens gekoppeld aan de metingen;
- een openbaar botsingsmodel met aannames en onzekerheden;
- een cumulatieve beoordeling samen met De Veenwieken;
- een nulmeting van de bestaande ecologische situatie;
- seizoensdekkend veldonderzoek vóór verdere besluitvorming;
- een wetenschappelijk onderbouwde berekening van aanvaringsrisico’s per relevante soort;
- voorzichtige onzekerheidsmarges voor niet-waargenomen of onderschatte sterfte;
- vooraf vastgelegde beoordelings- en afwijzingscriteria;
- vooraf vastgelegde bestuurlijke gevolgen van onaanvaardbare uitkomsten.
Wat de technische verkenning van 2023 voor de gemeente wel en niet onderzocht, staat op de pagina Pondera-verkenning 2023. Die verkenning was geen ecologische effectbeoordeling.
Welk bestuursorgaan de natuurtoets uiteindelijk beoordeelt en welke provinciale kaders daarbij gelden, leggen wij uit op de pagina Provincie Overijssel: kaders, selectie en bevoegdheden.
Materialen, slijtage en einde levensduur
Rotorbladen kunnen eroderen en materiaaldeeltjes verliezen. Het RIVM acht het aannemelijk dat chemische stoffen en microplastics uit coatings door slijtage in bodem en water terechtkomen, maar stelt geen gezondheids- of milieuschade vast en adviseert nader onderzoek. Voor Ondersloot 3 zijn turbinetype, materiaalgebruik en ontmantelingsplan nog niet vastgesteld. De volledige uitwerking, inclusief de RIVM-quickscan en de eisen aan demontage en verwerking, staat op de zelfstandige pagina Materialen, slijtage en ontmanteling.
Volledige onderzoeken en bronnen
Hieronder staan de uitgebreide onderzoeks- en bronbesprekingen. Zij zijn inklapbaar; de volledige inhoud blijft beschikbaar en via directe links bereikbaar.
Onderzoeken met beperkte, gemengde of niet-eenduidige uitkomsten
Adams, Gulka & Williams 2021; Whitby e.a. 2024
- Wat is onderzocht?
- Operationele beperking en vleermuissterfte bij Noord-Amerikaanse windparken.
- Wat was de uitkomst?
- Stilstandregelingen verminderen gemiddeld de geschatte vleermuissterfte.
- Welke beperkingen gelden?
- Regelingen en locaties verschillen; reductie is geen nul sterfte en is geen lokaal verwacht percentage.
- Wat betekent dit wel en niet voor Ondersloot 3?
- Voor Ondersloot moeten de locatiekeuze, modelaannames, detectiecorrecties, onzekerheidsmarges en afwijzingscriteria vóór verdere besluitvorming projectspecifiek worden vastgesteld.
Lees de bronbespreking en onderbouwing
Deze uitkomst is relevant voor een evenwichtige beoordeling, maar vormt geen projectspecifieke beoordeling van Ondersloot 3.
Vogels en aanvaringsrisico
Welke vogels het betreft
Bij een windpark gaat het niet om ‘de vogels’ als één groep. Onderscheid is nodig tussen standvogels die het gebied het hele jaar gebruiken, broedvogels met vaste nest- of rustplaatsen, vogels die er foerageren en soorten die alleen in het trekseizoen overvliegen. Voor elk van die groepen gelden andere gegevens en andere risico’s.
Waarvan het risico afhangt
Uit onderzoek volgt dat het aanvaringsrisico samenhangt met soortgedrag, gebruikte vlieghoogte ten opzichte van het rotorvlak, weersomstandigheden en zicht, de tijd van dag en jaar, en met de opstelling en afmetingen van de turbines. Grote, langzaam vliegende soorten en soorten die tijdens het jagen naar de grond kijken, worden in de literatuur als kwetsbaarder beschreven.
Een internationale review van 111 geselecteerde publicaties over aanvaringen bij windparken (Marques e.a., 2014) komt tot dezelfde kern: risico ontstaat uit een combinatie van soort-, locatie- en windparkkenmerken. Relevante factoren zijn onder meer gedrag, seizoen, landschap, vliegroutes, voedselbeschikbaarheid, weer, turbinetype, opstelling en verlichting. De review concludeert dat er geen universeel sterftecijfer bestaat en geen enkele maatregel die overal toepasbaar is; locatiekeuze en soortspecifiek onderzoek zijn essentieel. Die conclusie voorspelt niets voor Stegeren, maar bepaalt wel welk onderzoek hier nodig is. De samengevatte studies betreffen overwegend windparken uit eerdere jaren met turbines die aanzienlijk lager zijn dan 280 meter; hoogtes, afstanden en aantallen verschillen per studie en zijn in de review niet uniform vastgelegd.
Wat Nederlands onderzoek liet zien
Een Nederlandse peer-reviewed studie (Krijgsveld e.a., 2009, Ardea) onderzocht gedurende drie maanden in herfst en winter drie Nederlandse windparken met toenmalige turbines van 1,65 MW. De gevonden slachtoffers werden gecorrigeerd voor vindkans en verdwijning. Een relevant resultaat is dat niet alleen nachtelijke seizoenstrekkers, maar ook lokale, overdag actieve vogels onder de gevonden slachtoffers voorkwamen.
De onderzochte turbines, locaties en onderzoeksperiode verschillen van Ondersloot. De gemeten aantallen en risico’s mogen daarom niet naar vier moderne turbines bij Stegeren worden omgerekend. Wij nemen de historische aantallen uit die studie hier dan ook niet over: relevant is de methode en de bevinding dat ook lokale dagactieve vogels in beeld moeten komen. De onderzochte turbines van 1,65 MW zijn aanzienlijk lager dan de onderzoeksvariant van 280 meter voor Ondersloot; hoe rotoroppervlak en rotorhoogte de aanvaringskans bij die afmetingen beïnvloeden, volgt uit deze studie niet.
Gemodelleerd risico is geen gevonden slachtoffer
Een aanvaringsberekening is een model: er wordt met aannames gerekend over aantallen vliegbewegingen, vlieghoogtes, uitwijkgedrag en draaiuren. Een monitoringonderzoek telt gevonden slachtoffers. Beide zijn nuttig, maar zij zijn niet inwisselbaar. Bij kadaveronderzoek geldt bovendien dat lang niet alle slachtoffers worden gevonden: predatoren nemen kadavers mee, begroeiing bemoeilijkt het zoeken en de zoekefficiëntie verschilt per waarnemer en terrein. Zonder correctiefactoren voor vindkans en verdwijnkans onderschat een telling de werkelijke sterfte.
Botsingsmodellen combineren informatie over vogels, vliegbewegingen en turbines met aannames over onder meer uitwijkgedrag. Een review van tien modellen (Johnston e.a., 2016) liet zien dat slechts een deel variabiliteit en onzekerheid expliciet meenam. Een berekende aanvaringskans is daarom een modeluitkomst met aannames en geen telling van toekomstige slachtoffers. Dat maakt zo’n model niet onbruikbaar: het is een hulpmiddel waarvan de aannames controleerbaar moeten zijn.
Een openbaar Ondersloot-onderzoek moet daarvoor minimaal tonen:
- het gebruikte model en de versie daarvan;
- de turbinekenmerken;
- de lokale vogelaantallen;
- de vastgestelde vlieghoogten;
- de rotorzone;
- de gehanteerde vliegsnelheden;
- het gehanteerde uitwijkpercentage;
- de doorgerekende scenario’s;
- een gevoeligheidsanalyse;
- de onzekerheidsmarges.
Waarom wij geen algemeen sterftecijfer overnemen
RVO noemt voor heel Nederland een ordegrootte van ongeveer 50.000 vogelslachtoffers per jaar door windturbines, tegenover ongeveer 2 miljoen door verkeer en ongeveer 18 miljoen door katten. Dat is een landelijk totaal over het gehele turbinepark: zonder uitsplitsing naar soort, locatie, turbinetype, onderzoeksperiode of methode, en met een aanzienlijke onzekerheidsmarge. Het is daarom geen maat voor wat bij vier turbines op deze locatie te verwachten is. Bepalend is welke soorten hier voorkomen en hoe kwetsbaar de betrokken populaties zijn.
Beschermde soorten en vaste plaatsen
Onder de Omgevingswet gelden verboden rond het opzettelijk doden of verstoren van beschermde soorten en rond het beschadigen van voortplantings- of rustplaatsen. Of die verboden hier aan de orde zijn en of daarvoor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig is, hangt af van welke soorten aanwezig zijn en van de gekozen opstelling. Dat is een projectspecifieke beoordeling door het bevoegd gezag.
Vleermuizen
Vleermuizen zijn in Nederland beschermd en zijn volgens RVO kwetsbaarder dan vogels: het gaat om kleinere populaties met weinig jongen per jaar, waardoor extra sterfte zwaarder doorwerkt.
Mechanismen
Vleermuizen kunnen door contact met bewegende turbineonderdelen en mogelijk door sterke drukveranderingen rond de rotor omkomen. De relatieve bijdrage van de verschillende mechanismen is niet voor iedere situatie vastgesteld; barotrauma kan daarom niet als dé verklaring voor vleermuissterfte worden gepresenteerd.
Wat Europees onderzoek laat zien
Een Europese review van mogelijke beschermingsmaatregelen (Peste e.a., 2015) bevestigt dat vleermuizen door turbines kunnen omkomen en dat risico en activiteit per soort, seizoen en landschap verschillen. De review benadrukt dat maatregelen de mitigatiehiërarchie moeten volgen: eerst voorkomen, dan beperken, en pas daarna resterende effecten beoordelen of compenseren. Voorkomen door een goede locatiekeuze gaat daarbij vóór operationele beperking of compensatie. De review beoordeelt geen locaties en bepaalt dus niet welke maatregel bij Ondersloot passend is.
Soort, seizoen, weer en landschap
Vooral soorten die hoog en in open lucht jagen of trekken lopen risico. De Zoogdiervereniging beschrijft dat de meeste slachtoffers in de nazomer en herfst vallen, in de trekperiode, en vooral bij relatief warme nachten met weinig wind. Ook het tijdstip in de nacht speelt een rol. Landschapselementen als houtwallen, bosranden en waterlopen worden als foerageer- en vliegroute gebruikt; de ligging daarvan ten opzichte van de turbines is dus relevant.
Dat vleermuisactiviteit niet door één vaste factor wordt bepaald, blijkt ook uit onderzoek met meerjarige akoestische gegevens bij 34 turbines in Frankrijk (Barré e.a., 2023). Activiteit hing daar samen met landschap, weer, seizoen en turbinegebruik, en gecombineerde, locatiespecifieke algoritmen konden blootstelling gerichter beperken dan één algemene vaste drempelwaarde. Het betreft Franse locaties; akoestische activiteit is bovendien niet hetzelfde als een vastgesteld slachtofferaantal, en de studie bepaalt niet welke instellingen voor Ondersloot nodig zijn. Turbinehoogtes en afstanden tot bebouwing konden wij uit de publicatie niet vaststellen; het gaat om bestaande parken met turbines die naar verwachting lager zijn dan 280 meter.
Stilstand als mogelijke maatregel
Een veelgebruikte maatregel is stilstand bij specifieke omstandigheden: de turbine draait niet bij combinaties van seizoen, tijdstip, temperatuur en lage windsnelheid waarbij veel vleermuisactiviteit wordt verwacht. Het verschil tussen een generieke stilstandvoorziening en een locatiespecifiek voorschrift is wezenlijk: pas wanneer de drempelwaarden, de periode en de controle in een besluit of vergunningvoorschrift staan, is de maatregel juridisch afdwingbaar en toetsbaar.
Voor Ondersloot is nog geen openbare soort- en locatiespecifieke beoordeling beschikbaar waaruit blijkt welke vleermuissoorten, vliegroutes en risicoperioden kunnen worden geraakt en of een onaanvaardbaar aanvaringsrisico kan worden uitgesloten.
Leefgebieden, verstoring en cumulatie
Tijdens de aanleg
De aanlegfase brengt tijdelijke effecten mee: grondwerk en heien, zwaar transport, tijdelijke werkterreinen, bouwverlichting en menselijke aanwezigheid. Of dit tot verstoring van broedende of rustende dieren leidt, hangt vooral af van de planning ten opzichte van kwetsbare periodes.
Permanente veranderingen in het terrein
Blijvend zijn de funderingen, de kraanopstelplaatsen, verharde toegangswegen en de kabeltracés naar het aansluitpunt. Die ingrepen veranderen bodem, waterhuishouding en vegetatie op de betrokken percelen en kunnen doorwerken op soorten die daaraan gebonden zijn.
Verstoring en gebiedsvermijding
Beweging van de rotor, geluid, onderhoudsverkeer en menselijke activiteit kunnen ertoe leiden dat dieren de directe omgeving minder of niet meer gebruiken. Het gebied gaat dan niet fysiek verloren, maar wordt in de praktijk kleiner. Hoe groot zo’n vermijdingszone bij Ondersloot kan zijn, volgt niet betrouwbaar uit algemene studies. Dat moet vóór verdere besluitvorming met actueel lokaal veldonderzoek, een nulmeting, soortspecifieke gegevens en controleerbare onzekerheidsmarges worden beoordeeld.
Een systematische review naar verplaatsing van vogels, vleermuizen en landzoogdieren bij windparken op land (Tolvanen e.a., 2023) vond in een aanzienlijk deel van de onderzochte gevallen aanwijzingen voor vermijding of verplaatsing, maar de uitkomsten en afstanden verschilden sterk tussen soorten en studies. Wij gebruiken die percentages nadrukkelijk niet als lokale kans voor Ondersloot, en de gevonden afstanden zijn geen Nederlandse wettelijke afstandsnorm. Er valt geen algemene verstoringsafstand uit af te leiden; de review onderstreept juist de noodzaak van soort- en locatiespecifiek onderzoek vóór verdere besluitvorming. Turbinehoogte en parkomvang verschillen sterk tussen de opgenomen studies en zijn niet per geval vastgelegd; ook daarom zijn de gevonden afstanden niet naar turbines van 280 meter bij Ondersloot te vertalen.
Doorsnijding van routes en barrièrewerking
Een lijnopstelling kan dwars op een vlieg- of trekroute staan. Dieren wijken dan uit, wat extra energie kost en de verbinding tussen leefgebieden kan verzwakken. Of dat hier speelt, hangt af van de ligging van routes ten opzichte van de uiteindelijke posities.
Wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van windparken op vogels (Drewitt & Langston, 2006) beschrijft dat vogels lokale routes en trekroutes kunnen aanpassen. Reacties lopen uiteen van kleine veranderingen in hoogte of richting tot grotere omwegen, afhankelijk van soort, type beweging, turbineopstelling, seizoen, tijdstip, weer en windrichting. Barrièrewerking kan zo extra vliegafstand en extra energiegebruik veroorzaken. Hoe groot dat hier zou zijn, is zonder lokale gegevens niet vast te stellen.
Zweefvliegende vogels: een illustratief voorbeeld
Voor zweefvliegende trekvogels is dit soortspecifiek onderzocht: bij zwarte wouwen in een migratiecorridor bij Gibraltar bleek geschikt zweefgebied rond turbines minder te worden gebruikt (Marques e.a., 2020, Journal of Animal Ecology). Die gevonden afstand is geen grenswaarde voor rode wouwen en zeker niet voor Stegeren. Het voorbeeld laat vooral zien waarom routegebruik en geschikt zweefgebied hier lokaal onderzocht moeten worden.
Verlichting hangt hiermee samen: obstakelverlichting is verplicht en kan nachtactieve soorten beïnvloeden. De regels en de mogelijkheden om te dimmen of naderingsdetectie te gebruiken beschrijven wij op de pagina Landschap, recreatie en leefomgeving, waar ook de visuele en recreatieve kant aan de orde komt.
Cumulatie met De Veenwieken en andere ontwikkelingen
Dieren houden zich niet aan projectgrenzen. Voor soorten die zich door het gebied verplaatsen telt niet alleen Ondersloot, maar ook de bestaande turbinelijn van De Veenwieken en andere obstakels en ontwikkelingen in de omgeving. Een beoordeling die alleen dit project bekijkt, laat die optelling buiten beeld.
Wat de wetenschap over cumulatie zegt
Een conceptueel raamwerk voor cumulatieve beoordeling bij windparken en vogels (Masden e.a., 2010) wijst erop dat afzonderlijk kleine effecten gezamenlijk betekenisvol kunnen zijn. Cumulatieonderzoek moet daarom transparant zijn over welke effecten, welke projecten, welke uitgangssituatie, welke ruimtelijke schaal en welke tijdsperiode worden meegenomen. Alleen de projectgrens van Ondersloot gebruiken kan effecten buiten beeld laten; andere relevante projecten en autonome ontwikkelingen moeten gemotiveerd worden meegenomen. Dit raamwerk zegt niets over de vraag of bij Stegeren schade optreedt — het beschrijft hoe die vraag beantwoord moet worden.
Wat cumulatief zou moeten worden beoordeeld
- de gezamenlijke turbineopstelling en het totale aantal turbines in het gebied;
- de ruimtelijke samenhang: onderlinge afstanden, richting en openingen tussen lijnen;
- mogelijke kruisende vlieg- en trekroutes tussen beide opstellingen;
- barrièrewerking van de opstellingen samen;
- de totale aanvaringskans voor soorten die beide gebieden gebruiken;
- verstoring en gebiedsvermijding op de schaal van het hele gebied;
- de gezamenlijke nachtelijke verlichting;
- werkzaamheden, onderhoudsverkeer en infrastructuur van beide parken;
- andere relevante projecten en autonome ontwikkelingen in het onderzoeksgebied.
Vier dingen die uit elkaar moeten blijven
- Projectspecifieke effecten van Ondersloot: wat dit park zelf toevoegt.
- Bestaande belasting door De Veenwieken: wat er nu al is, los van dit plan.
- Gezamenlijke of cumulatieve effecten: wat pas ontstaat door de combinatie.
- Autonome ontwikkelingen: veranderingen die ook zonder dit project optreden.
Openstaande vraag
Nog geen cumulatieve natuurbeoordeling in het projectdossier
Een relevante vraag waarop wij in de gecontroleerde openbare bronnen nog geen volledig antwoord hebben gevonden. Een openstaande vraag is geen beschuldiging.
Een openbare cumulatieve natuurbeoordeling van Ondersloot 3 en De Veenwieken samen maakt volgens de openbare provinciale informatie nog geen deel uit van het besluitvormingsdossier. Die gezamenlijke beoordeling moet vanaf het begin onderdeel zijn van de onderzoeksopzet. Alleen afzonderlijk naar Ondersloot 3 kijken is in deze situatie onvoldoende.
Landbouwhuisdieren, waaronder koeien en paarden
Concrete nadelige effecten op landbouwhuisdieren zijn bij Ondersloot niet vastgesteld. Volgens lokale gebiedskennis worden in en rond het onderzoeksgebied koeien en paarden gehouden. Deze informatie moet bij de onderzoeksopzet worden gecontroleerd en ruimtelijk worden geïnventariseerd, zonder persoonsgegevens of informatie over individuele eigenaren openbaar te maken. In een eventuele NRD en in het MER moet worden bepaald welke effecten en blootstellingsroutes redelijkerwijs onderzocht moeten worden.
Wat zegt onderzoek? Volgens het Europese referentiecentrum voor dierenwelzijn van herkauwers en paarden (EURCAW) ontbreekt wetenschappelijke kennis die rechtstreeks gaat over runderen en windturbines; aanbevolen afstanden zijn daarom niet bekend. EURCAW, oktober 2024 (opent in een nieuw tabblad) Een Spaans literatuuroverzicht noemt geluid, slagschaduw, laagfrequent geluid en infrageluid als mogelijke stressbronnen voor grazend vee, en wijst op het beperkte aantal studies. Blanco-Penedo e.a., 2024 (opent in een nieuw tabblad) Het Franse nationale paardeninstituut IFCE beschrijft voor turbines van ongeveer 150 meter vooral schrikreacties en geen aangetoonde lichamelijke schade; vermoede gevolgen van infrageluid bij paarden zijn in later onderzoek niet bevestigd. IFCE, 2022 (opent in een nieuw tabblad) In de op deze pagina aangehaalde bronnen is geen onderzoek opgenomen naar landbouwhuisdieren bij reguliere windturbines met een tiphoogte rond 280 meter.
Relevante onderzoeksvragen kunnen onder meer gaan over:
- geluid en laagfrequent geluid;
- slagschaduw en verlichting;
- veranderingen in gedrag en stressindicatoren;
- voortplanting, gezondheid en productie.
Daarbij is onderscheid nodig tussen effecten die wetenschappelijk zijn aangetoond, signalen uit de praktijk en veronderstellingen die nog niet zijn onderzocht. Een nulmeting van de bestaande situatie, een inventarisatie van beschikbare praktijksignalen en een onafhankelijke beoordeling van de wetenschappelijke kennis moeten vóór verdere besluitvorming duidelijk maken welke risico’s aannemelijk, onzeker of niet onderbouwd zijn.
Onderzoeksmethoden en onzekerheden
Onderstaande onderzoeken en methoden worden hier uitsluitend besproken om de risico’s, beperkingen en onzekerheden vóór verdere besluitvorming te kunnen beoordelen. Zij vormen geen vervanging voor een volledige projectspecifieke ecologische beoordeling met vooraf vastgelegde afwijzingscriteria.
Onderstaande onderzoeken en praktijkvoorbeelden laten zien welke ecologische risico’s, modelbeperkingen en onzekerheden vóór verdere besluitvorming moeten worden beoordeeld. Zij bewijzen niet dat de gevolgen voor Ondersloot aanvaardbaar zijn.
- soort- en locatiespecifiek veldonderzoek in alle relevante seizoenen;
- inventarisatie van broed-, rust-, foerageer- en vliegroutes;
- voorzichtige aanvarings- en verstoringsberekeningen per relevante soort;
- een cumulatieve beoordeling samen met De Veenwieken;
- vooraf vastgelegde criteria voor onaanvaardbare ecologische effecten.
Wat onderzoek zegt over de werking van stilstand
Een meta-analyse van 36 vergelijkingen uit 17 Noord-Amerikaanse windparken (Adams, Gulka & Williams, 2021) laat zien dat operationele beperking de geschatte vleermuissterfte gemiddeld verminderde. De onderzoeken verschilden in locatie, regeling en onderzoeksopzet, en de exacte relatie tussen een hogere startsnelheid en extra reductie bleef onzeker. Een overzicht van tien jaar curtailmentonderzoek (Whitby e.a., 2024) komt tot eenzelfde beeld. Wij nemen die reductiepercentages hier niet over als verwachting voor Stegeren: het zijn uitkomsten van een Noord-Amerikaanse steekproef, bij windparken met turbines die aanzienlijk lager zijn dan 280 meter en in een ander landschap en ander soortenspectrum.
Er is nog weinig gemeten praktijkervaring bij bestaande reguliere onshoreturbines van 280 meter of hoger. Voorafgaand model- en locatieonderzoek blijft mogelijk, maar moet duidelijk worden onderscheiden van meetgegevens van reeds operationele turbines. Bekijk de actuele inventarisatie van turbines van deze hoogte →
Studies bij bestaande windparken laten zien dat de geschatte vleermuissterfte onder bepaalde omstandigheden kan worden verminderd, maar bewijzen niet dat de ecologische gevolgen van Ondersloot aanvaardbaar zijn. Voor Ondersloot moeten de aanwezige soorten, vliegroutes, risicoperioden, modelaannames en cumulatieve gevolgen vóór verdere besluitvorming projectspecifiek worden beoordeeld. Wanneer ernstige schade niet kan worden uitgesloten of een onaanvaardbaar risico resteert, kan het plan niet verder.
Kadaveronderzoek en detectiegrenzen
Het aantal gevonden slachtoffers is niet automatisch gelijk aan de werkelijke sterfte. Een betrouwbare schatting moet onder meer rekening houden met vindkans, verwijdering door aaseters of ontbinding, zoekfrequentie en het deel van het gebied dat daadwerkelijk is onderzocht (Korner-Nievergelt e.a., 2011; Huso, 2011). Voor die correcties bestaat gestandaardiseerde methodiek, waaronder de USGS-software GenEst.
- een nulwaarneming bewijst niet automatisch nul sterfte;
- resultaten moeten met detectiecorrecties en onzekerheidsmarges worden gepubliceerd;
- zoekefficiëntie kan verschillen tussen kleine vleermuizen en grotere vogels;
- onderzoeksresultaten zijn moeilijk vergelijkbaar als de methoden verschillen.
Op deze pagina onderscheiden wij algemene onderzoekskennis, praktijkervaring bij bestaande windparken en projectspecifieke informatie. Algemene maatregelen uit literatuur of praktijk elders bewijzen niet dat de gevolgen voor Ondersloot aanvaardbaar zijn. Voor Ondersloot ontbreekt nog een openbare projectspecifieke ecologische beoordeling met definitieve turbinegegevens, controleerbare onzekerheidsmarges en vooraf vastgelegde afwijzingscriteria.
Gerelateerde artikelen
Journalistieke berichtgeving als context. Deze artikelen vervangen de primaire bronnen en besluiten op deze pagina niet.
Provincie Zeeland legt twintig windmolens stil vanwege uitvliegende zeearenden (opent in een nieuw tabblad)
Trouw · publicatiedatum niet vermeld · geraadpleegd op 8 augustus 2026 · Nieuws Secundaire bron · mogelijk achter een betaalmuur
De provincie Zeeland legde twintig windmolens stil vanwege uitvliegende zeearenden. Dit onderstreept dat vliegroutes, kwetsbare perioden en aanvaringsrisico’s vóór besluitvorming zorgvuldig en soortspecifiek moeten worden onderzocht.
Journalistieke berichtgeving over een ingreep bij een bestaand windpark. De gebeurtenis bewijst niets over de soorten of het risico bij Stegeren, maar laat zien waarom onzekerheden over beschermde soorten niet naar een later moment mogen worden doorgeschoven.
Windpark bij Kreekraksluizen moet turbines uitzetten na botsingen met zeearenden (opent in een nieuw tabblad)
AD · publicatiedatum niet vermeld · geraadpleegd op 8 augustus 2026 · Nieuws Secundaire bron · mogelijk achter een betaalmuur
Windpark Kreekraksluizen moest turbines uitzetten na botsingen met zeearenden.
Journalistieke berichtgeving over aanvaringen met zeearenden bij een ander windpark; context bij het aanvaringsrisico, geen ecologische beoordeling van Ondersloot.
Dodelijke botsingen zeearend-windturbine in Flevoland (opent in een nieuw tabblad)
Hart van Nederland · publicatiedatum niet vermeld · geraadpleegd op 8 augustus 2026 · Nieuws Secundaire bron
Bericht over dodelijke botsingen van zeearenden met windturbines in Flevoland.
Journalistieke berichtgeving over aanvaringen in Flevoland; ander landschap en andere soortensituatie, dus niet overdraagbaar op Stegeren.
Bronnen en documenten
33 bronnenToon alle bronnenVerberg bronnen
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM
Eerste inzicht in emissies van chemische stoffen bij windturbines op land – Resultaten quickscan
7 april 2023 · Officieel onderzoeksrapport / quickscan · officiële toelichting
Algemene verkenning van windturbines op land; geen projectspecifiek onderzoek naar Windpark Ondersloot.
Bron openen (opent in een nieuw tabblad)Rechtstreekse rapportlink (pdf) (opent in een nieuw tabblad)
eur-lex.europa.eu
Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG)
2009 · officiële toelichting
eur-lex.europa.eu
Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG)
officiële toelichting
doi.org
Blanco-Penedo e.a. (2024) — Relación entre las estructuras físicas asociadas a las energías renovables y la salud y el bienestar del ganado extensivo
2024 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
besjournals.onlinelibrary.wiley.com
Whitby e.a. (2024) — A decade of curtailment studies demonstrates a consistent and effective strategy to reduce bat fatalities at wind turbines in North America
2024 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
doi.org
Barré e.a. (2023) — Drivers of bat activity at wind turbines advocate for mitigating bat exposure using multicriteria algorithm-based curtailment
2023 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
doi.org
Tolvanen e.a. (2023) — How far are birds, bats, and terrestrial mammals displaced from onshore wind power development?
2023 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
journals.plos.org
Adams, Gulka & Williams (2021) — A review of the effectiveness of operational curtailment for reducing bat fatalities at terrestrial wind farms in North America
2021 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
besjournals.onlinelibrary.wiley.com
Marques e.a. (2020) — Wind turbines cause functional habitat loss for migratory soaring birds
2020 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
sciencedirect.com
Johnston e.a. (2016) — Avian collision risk models for wind energy impact assessments
2016 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
sciencedirect.com
Marques e.a. (2014) — Understanding bird collisions at wind farms: an updated review on the causes and possible mitigation strategies
2014 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
onlinelibrary.wiley.com
Huso (2011) — An estimator of wildlife fatality from observed carcasses
2011 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
doi.org
Korner-Nievergelt e.a. (2011) — A new method to determine bird and bat fatality at wind energy turbines from carcass searches
2011 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
doi.org
Masden e.a. (2010) — Cumulative impact assessments and bird/wind farm interactions: developing a conceptual framework
2010 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
onlinelibrary.wiley.com
Drewitt & Langston (2006) — Assessing the impacts of wind farms on birds
2006 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
iplo.nl
Bescherming van gebieden onder de Omgevingswet — IPLO
2026 · officiële toelichting
iplo.nl
Bescherming van soorten onder de Omgevingswet — IPLO
2026 · officiële toelichting
rvo.nl
Hoe beschermt u de natuur bij een windturbine? — RVO
2026 · officiële toelichting
bij12.nl
Kennisdocumenten soorten — BIJ12
2026 · officiële toelichting
tethys.pnnl.gov
Peste e.a. (2015) — How to mitigate impacts of wind farms on bats? A review of potential conservation measures in the European context
2015 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
research.wur.nl
Krijgsveld e.a. (2009) — Collision risk of birds with modern large wind turbines
2009 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
natura2000.nl
Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied
2000 · officiële toelichting
usgs.gov
GenEst — generalized estimator of mortality (USGS)
onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
rvo.nl
Natuur onder de Omgevingswet — RVO
officiële toelichting
rijksoverheid.nl
Natuurnetwerk Nederland — Rijksoverheid
officiële toelichting
iplo.nl
Rijksregels voor activiteiten met gevolgen voor de natuur — IPLO
officiële toelichting
waarneming.nl
Rode wouw gespot bij Stegerveld
2025 · bron van betrokken organisatie
waarneming.nl
Rode wouw boven de Overijsselse Vecht
2024 · bron van betrokken organisatie
waarneming.nl
Rode wouwen waargenomen in Stegerveld (2024-2025)
2024 · bron van betrokken organisatie
zoogdiervereniging.nl
Effecten van windturbines op vleermuizen — Zoogdiervereniging
bron van betrokken organisatie
netwerkgroenebureaus.nl
Vleermuisprotocol — Netwerk Groene Bureaus
bron van betrokken organisatie
eurcaw-ruminants-equines.eu
EURCAW Ruminants & Equines (2024) — Wind turbine effects on bovine
2024 · bron van betrokken organisatie
equipedia.ifce.fr
IFCE Equipedia (2022) — Wind turbines and horse husbandry
2022 · bron van betrokken organisatie
Bekijk ook de rubriek Wetenschappelijk onderzoek in het volledige bronnenregister. De bronnen van deze pagina staan in meerdere rubrieken.
Controlestatus van deze pagina
Tekst, presentatie en werking gecontroleerd: 18 oktober 2026.
Broninhoud: datum volledige inhoudelijke controle niet geregistreerd.
