Gevolgen
Natuur en milieu
Wat windturbines kunnen betekenen voor vogels, vleermuizen en leefgebieden, welke regels gelden, en wat voor Windpark Ondersloot nog niet openbaar is onderzocht.

Lokale waarnemingen
Rode wouw waargenomen rond het zoekgebied
In 2024 en 2025 zijn in en rond Stegerveld en boven de Overijsselse Vecht meerdere waarnemingen van de rode wouw vastgelegd en geaccepteerd op Waarneming.nl. Daarmee is de aanwezigheid van deze grote roofvogel in de omgeving aangetoond.
De waarnemingen bewijzen op zichzelf niet welk risico Windpark Ondersloot oplevert. Ze maken wel duidelijk dat bij het ecologische onderzoek gericht moet worden gekeken naar de rode wouw, waaronder vliegroutes, vlieghoogtes, foerageergebied en het gezamenlijke effect van Ondersloot en De Veenwieken.
Waarneming.nl is een vrijwilligersregistratiebron, geen onafhankelijk ecologisch onderzoeksrapport. De waarnemingen tonen aanwezigheid aan, geen broedgeval, vaste verblijfplaats of vliegroute.
Wat weten we, en hoe zeker is dat?
Wij delen bevindingen op deze pagina in naar bewijskracht, zodat duidelijk is wat stevig is onderbouwd en wat nog een vraag is.
- Sterk onderbouwd
- Dat windturbines slachtoffers kunnen maken onder vogels en vleermuizen en dat effecten per soort, seizoen en locatie sterk verschillen, volgt uit onderzoek en uit officiële bronnen zoals RVO.
- Aanwijzingen
- Over verstoring, gebiedsvermijding en barrièrewerking bestaat onderzoek, maar de omvang hangt af van soort en gebied en is niet zonder lokaal onderzoek naar Stegeren te vertalen.
- Praktijkervaring
- Rond Stegerveld en boven de Overijsselse Vecht zijn waarnemingen van de rode wouw vastgelegd. Bekijk de lokale waarnemingen en lees waarom gericht ecologisch onderzoek nodig is.
- Niet onderzocht voor Ondersloot
- Welke soorten hier voorkomen, welke vliegroutes worden gekruist, welk risico daaruit volgt, hoe dit cumuleert met De Veenwieken en welke maatregelen en monitoring juridisch worden vastgelegd.
Samenvatting
Windturbines kunnen gevolgen hebben voor vogels en vleermuizen. Mogelijke effecten bestaan onder meer uit aanvaringen, verstoring, verlies of vermijding van leefgebied en barrièrewerking. Aard en omvang verschillen sterk per soort, locatie, seizoen, trekroute, turbineopstelling en bedrijfsvoering.
Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat windturbines vogels en vleermuizen kunnen treffen door aanvaring, verstoring, vermijding van leefgebied en barrièrewerking. De omvang verschilt sterk per soort, seizoen, locatie, landschap, turbineopstelling en bedrijfsvoering. Algemene studies kunnen daarom niet voorspellen wat bij Ondersloot zal gebeuren. Daarvoor zijn actueel lokaal veldonderzoek en een cumulatieve beoordeling met De Veenwieken nodig.
Algemene onderzoeksliteratuur bewijst niet welke effecten bij Ondersloot zullen optreden. Daarvoor is actueel, seizoensdekkend en locatiegericht onderzoek nodig, met een nulmeting van het huidige gebiedsgebruik. Wij presenteren op deze pagina geen algemeen mogelijk effect als een vastgesteld gevolg voor Stegeren.
Cumulatie met Windpark De Veenwieken en met andere bestaande of geplande ontwikkelingen moet herkenbaar worden beoordeeld. Een beoordeling die alleen naar dit project kijkt, laat de gezamenlijke belasting van het gebied buiten beeld.
De zichtbare en recreatieve kant van hetzelfde landschap — schaal, cumulatie en nachtelijke obstakelverlichting — staat op de pagina Landschap, recreatie en leefomgeving.
Mogelijke effecten op natuur en milieu
Onderstaande tabel zet de effecten op een rij die bij windparken in onderzoek en regelgeving terugkomen. Niet ieder mechanisme is op iedere locatie relevant: welke effecten hier daadwerkelijk kunnen optreden, hangt af van de soorten die het gebied gebruiken en van de uiteindelijke opstelling.
| Mogelijk effect | Soortgroep of natuurwaarde | Mechanisme | Benodigde lokale informatie | Mogelijke maatregel | Status voor Ondersloot |
|---|---|---|---|---|---|
| Aanvaring | Vogels en vleermuizen die op rotorhoogte vliegen | Botsing met draaiende rotorbladen of met de mast | Soorten, vlieghoogtes, vliegbewegingen per seizoen en turbineposities | Positionering, stilstand bij risicomomenten, detectiesystemen | Voor Ondersloot niet openbaar onderzocht |
| Verstoring | Broedvogels en rustende vogels | Beweging, geluid, onderhoudsverkeer en menselijke aanwezigheid | Broedlocaties, rustgebieden en verstoringsgevoeligheid per soort | Werken buiten kwetsbare periodes, afstand tot broedlocaties | Voor Ondersloot niet openbaar onderzocht |
| Vermijding en verlies van leefgebied | Foeragerende en broedende vogels | Dieren mijden de omgeving van turbines, waardoor bruikbaar gebied kleiner wordt | Gebiedsgebruik vóór realisatie (nulmeting) en soortspecifieke vermijdingsafstanden | Andere opstelling, compensatie of inrichting van alternatief gebied | Voor Ondersloot niet openbaar onderzocht |
| Barrièrewerking | Trekvogels en pendelende soorten | Een rij turbines dwingt dieren om te vliegen, met extra energieverbruik | Ligging van vlieg- en trekroutes ten opzichte van de opstelling | Opstellingsrichting, openingen in de lijn, positionering | Voor Ondersloot niet openbaar onderzocht |
| Effecten tijdens aanleg | Alle aanwezige soorten | Grondwerk, heien, transport, tijdelijke werkterreinen en bouwverlichting | Bouwplanning, werkterreinen, transportroutes en kwetsbare periodes | Werkprotocol, ecologische begeleiding, planning buiten broedseizoen | Voor Ondersloot niet openbaar onderzocht |
| Permanente ingrepen in het terrein | Bodem, water, vegetatie en gebonden soorten | Funderingen, kraanopstelplaatsen, toegangswegen en kabeltracés | Definitief inrichtingsplan met verharding, kabeltracés en waterhuishouding | Tracékeuze, herstel na aanleg, beperking van verharding | Voor Ondersloot niet openbaar onderzocht |
| Verlichting | Vogels, vleermuizen en nachtactieve soorten | Verplichte obstakelverlichting en verlichting tijdens onderhoud | Verlichtingsplan, dimregime en eventuele naderingsdetectie | Dimmen, vast brandend licht, naderingsdetectie na toestemming van de ILT | Voor Ondersloot niet openbaar onderzocht |
| Cumulatieve effecten | Soorten die het bredere gebied gebruiken | Optelling met De Veenwieken, infrastructuur en andere ontwikkelingen | Eén onderzoeksgebied met alle bestaande en voorziene bronnen van effect | Gezamenlijke beoordeling en afstemming van maatregelen tussen projecten | Geen openbaar cumulatief onderzoek bekend |
| Sterfte onder de detectiegrens | Kleine soorten en vleermuizen | Slachtoffers worden niet gevonden door predatie, begroeiing of zoekefficiëntie | Zoekprotocol met correctiefactoren voor vindkans en verdwijnkans | Monitoring met gecorrigeerde schattingen in plaats van ruwe vondsten | Nog geen monitoringprogramma bekend |
| Onzekerheid in modellen | Alle beoordeelde soorten | Aannames over vluchten, uitwijkgedrag en turbinebedrijf bepalen de uitkomst | Expliciete aannames, gevoeligheidsanalyse en onzekerheidsmarges | Voorzichtige uitgangspunten en toetsing achteraf via monitoring | Niet te beoordelen zolang geen rapport openbaar is |
Vogels en aanvaringsrisico
Welke vogels het betreft
Bij een windpark gaat het niet om ‘de vogels’ als één groep. Onderscheid is nodig tussen standvogels die het gebied het hele jaar gebruiken, broedvogels met vaste nest- of rustplaatsen, vogels die er foerageren en soorten die alleen in het trekseizoen overvliegen. Voor elk van die groepen gelden andere gegevens en andere risico’s.
Waarvan het risico afhangt
Uit onderzoek volgt dat het aanvaringsrisico samenhangt met soortgedrag, gebruikte vlieghoogte ten opzichte van het rotorvlak, weersomstandigheden en zicht, de tijd van dag en jaar, en met de opstelling en afmetingen van de turbines. Grote, langzaam vliegende soorten en soorten die tijdens het jagen naar de grond kijken, worden in de literatuur als kwetsbaarder beschreven.
Een internationale review van 111 geselecteerde publicaties over aanvaringen bij windparken (Marques e.a., 2014) komt tot dezelfde kern: risico ontstaat uit een combinatie van soort-, locatie- en windparkkenmerken. Relevante factoren zijn onder meer gedrag, seizoen, landschap, vliegroutes, voedselbeschikbaarheid, weer, turbinetype, opstelling en verlichting. De review concludeert dat er geen universeel sterftecijfer bestaat en geen enkele maatregel die overal toepasbaar is; locatiekeuze en soortspecifiek onderzoek zijn essentieel. Die conclusie voorspelt niets voor Stegeren, maar bepaalt wel welk onderzoek hier nodig is. De samengevatte studies betreffen overwegend windparken uit eerdere jaren met turbines die aanzienlijk lager zijn dan 280 meter; hoogtes, afstanden en aantallen verschillen per studie en zijn in de review niet uniform vastgelegd.
Wat Nederlands onderzoek liet zien
Een Nederlandse peer-reviewed studie (Krijgsveld e.a., 2009, Ardea) onderzocht gedurende drie maanden in herfst en winter drie Nederlandse windparken met toenmalige turbines van 1,65 MW. De gevonden slachtoffers werden gecorrigeerd voor vindkans en verdwijning. Een relevant resultaat is dat niet alleen nachtelijke seizoenstrekkers, maar ook lokale, overdag actieve vogels onder de gevonden slachtoffers voorkwamen.
De onderzochte turbines, locaties en onderzoeksperiode verschillen van Ondersloot. De gemeten aantallen en risico’s mogen daarom niet naar vier moderne turbines bij Stegeren worden omgerekend. Wij nemen de historische aantallen uit die studie hier dan ook niet over: relevant is de methode en de bevinding dat ook lokale dagactieve vogels in beeld moeten komen. De onderzochte turbines van 1,65 MW zijn aanzienlijk lager dan de voor Ondersloot beoogde turbines van 280 meter; hoe rotoroppervlak en rotorhoogte de aanvaringskans bij die afmetingen beïnvloeden, volgt uit deze studie niet.
Gemodelleerd risico is geen gevonden slachtoffer
Een aanvaringsberekening is een model: er wordt met aannames gerekend over aantallen vliegbewegingen, vlieghoogtes, uitwijkgedrag en draaiuren. Een monitoringonderzoek telt gevonden slachtoffers. Beide zijn nuttig, maar zij zijn niet inwisselbaar. Bij kadaveronderzoek geldt bovendien dat lang niet alle slachtoffers worden gevonden: predatoren nemen kadavers mee, begroeiing bemoeilijkt het zoeken en de zoekefficiëntie verschilt per waarnemer en terrein. Zonder correctiefactoren voor vindkans en verdwijnkans onderschat een telling de werkelijke sterfte.
Botsingsmodellen combineren informatie over vogels, vliegbewegingen en turbines met aannames over onder meer uitwijkgedrag. Een review van tien modellen (Johnston e.a., 2016) liet zien dat slechts een deel variabiliteit en onzekerheid expliciet meenam. Een berekende aanvaringskans is daarom een modeluitkomst met aannames en geen telling van toekomstige slachtoffers. Dat maakt zo’n model niet onbruikbaar: het is een hulpmiddel waarvan de aannames controleerbaar moeten zijn.
Een openbaar Ondersloot-onderzoek moet daarvoor minimaal tonen:
- het gebruikte model en de versie daarvan;
- de turbinekenmerken;
- de lokale vogelaantallen;
- de vastgestelde vlieghoogten;
- de rotorzone;
- de gehanteerde vliegsnelheden;
- het gehanteerde uitwijkpercentage;
- de doorgerekende scenario’s;
- een gevoeligheidsanalyse;
- de onzekerheidsmarges.
Waarom wij geen algemeen sterftecijfer overnemen
RVO noemt voor heel Nederland een ordegrootte van ongeveer 50.000 vogelslachtoffers per jaar door windturbines, tegenover ongeveer 2 miljoen door verkeer en ongeveer 18 miljoen door katten. Dat is een landelijk totaal over het gehele turbinepark: zonder uitsplitsing naar soort, locatie, turbinetype, onderzoeksperiode of methode, en met een aanzienlijke onzekerheidsmarge. Het is daarom geen maat voor wat bij vier turbines op deze locatie te verwachten is. Bepalend is welke soorten hier voorkomen en hoe kwetsbaar de betrokken populaties zijn.
Beschermde soorten en vaste plaatsen
Onder de Omgevingswet gelden verboden rond het opzettelijk doden of verstoren van beschermde soorten en rond het beschadigen van voortplantings- of rustplaatsen. Of die verboden hier aan de orde zijn en of daarvoor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig is, hangt af van welke soorten aanwezig zijn en van de gekozen opstelling. Dat is een projectspecifieke beoordeling door het bevoegd gezag.
Vleermuizen
Vleermuizen zijn in Nederland beschermd en zijn volgens RVO kwetsbaarder dan vogels: het gaat om kleinere populaties met weinig jongen per jaar, waardoor extra sterfte zwaarder doorwerkt.
Mechanismen
Vleermuizen kunnen door contact met bewegende turbineonderdelen en mogelijk door sterke drukveranderingen rond de rotor omkomen. De relatieve bijdrage van de verschillende mechanismen is niet voor iedere situatie vastgesteld; barotrauma kan daarom niet als dé verklaring voor vleermuissterfte worden gepresenteerd.
Wat Europees onderzoek laat zien
Een Europese review van mogelijke beschermingsmaatregelen (Peste e.a., 2015) bevestigt dat vleermuizen door turbines kunnen omkomen en dat risico en activiteit per soort, seizoen en landschap verschillen. De review benadrukt dat maatregelen de mitigatiehiërarchie moeten volgen: eerst voorkomen, dan beperken, en pas daarna resterende effecten beoordelen of compenseren. Voorkomen door een goede locatiekeuze gaat daarbij vóór operationele beperking of compensatie. De review beoordeelt geen locaties en bepaalt dus niet welke maatregel bij Ondersloot passend is.
Soort, seizoen, weer en landschap
Vooral soorten die hoog en in open lucht jagen of trekken lopen risico. De Zoogdiervereniging beschrijft dat de meeste slachtoffers in de nazomer en herfst vallen, in de trekperiode, en vooral bij relatief warme nachten met weinig wind. Ook het tijdstip in de nacht speelt een rol. Landschapselementen als houtwallen, bosranden en waterlopen worden als foerageer- en vliegroute gebruikt; de ligging daarvan ten opzichte van de turbines is dus relevant.
Dat vleermuisactiviteit niet door één vaste factor wordt bepaald, blijkt ook uit onderzoek met meerjarige akoestische gegevens bij 34 turbines in Frankrijk (Barré e.a., 2023). Activiteit hing daar samen met landschap, weer, seizoen en turbinegebruik, en gecombineerde, locatiespecifieke algoritmen konden blootstelling gerichter beperken dan één algemene vaste drempelwaarde. Het betreft Franse locaties; akoestische activiteit is bovendien niet hetzelfde als een vastgesteld slachtofferaantal, en de studie bepaalt niet welke instellingen voor Ondersloot nodig zijn. Turbinehoogtes en afstanden tot bebouwing konden wij uit de publicatie niet vaststellen; het gaat om bestaande parken met turbines die naar verwachting lager zijn dan 280 meter.
Stilstand als mogelijke maatregel
Een veelgebruikte maatregel is stilstand bij specifieke omstandigheden: de turbine draait niet bij combinaties van seizoen, tijdstip, temperatuur en lage windsnelheid waarbij veel vleermuisactiviteit wordt verwacht. Het verschil tussen een generieke stilstandvoorziening en een locatiespecifiek voorschrift is wezenlijk: pas wanneer de drempelwaarden, de periode en de controle in een besluit of vergunningvoorschrift staan, is de maatregel juridisch afdwingbaar en toetsbaar.
Voor Ondersloot is niet openbaar vastgelegd dat een stilstandvoorziening voor vleermuizen wordt toegepast, en evenmin op welke instellingen die zou worden gebaseerd.
Leefgebieden, verstoring en barrièrewerking
Tijdens de aanleg
De aanlegfase brengt tijdelijke effecten mee: grondwerk en heien, zwaar transport, tijdelijke werkterreinen, bouwverlichting en menselijke aanwezigheid. Of dit tot verstoring van broedende of rustende dieren leidt, hangt vooral af van de planning ten opzichte van kwetsbare periodes.
Permanente veranderingen in het terrein
Blijvend zijn de funderingen, de kraanopstelplaatsen, verharde toegangswegen en de kabeltracés naar het aansluitpunt. Die ingrepen veranderen bodem, waterhuishouding en vegetatie op de betrokken percelen en kunnen doorwerken op soorten die daaraan gebonden zijn.
Verstoring en gebiedsvermijding
Beweging van de rotor, geluid, onderhoudsverkeer en menselijke activiteit kunnen ertoe leiden dat dieren de directe omgeving minder of niet meer gebruiken. Het gebied gaat dan niet fysiek verloren, maar wordt in de praktijk kleiner. Hoe groot zo’n vermijdingszone is, verschilt sterk per soort en is alleen met een nulmeting en vervolgmeting vast te stellen.
Een systematische review naar verplaatsing van vogels, vleermuizen en landzoogdieren bij windparken op land (Tolvanen e.a., 2023) vond in een aanzienlijk deel van de onderzochte gevallen aanwijzingen voor vermijding of verplaatsing, maar de uitkomsten en afstanden verschilden sterk tussen soorten en studies. Wij gebruiken die percentages nadrukkelijk niet als lokale kans voor Ondersloot, en de gevonden afstanden zijn geen Nederlandse wettelijke afstandsnorm. Er valt geen algemene verstoringsafstand uit af te leiden; de review onderstreept juist de noodzaak van soort- en locatiespecifiek onderzoek vóór en na realisatie. Turbinehoogte en parkomvang verschillen sterk tussen de opgenomen studies en zijn niet per geval vastgelegd; ook daarom zijn de gevonden afstanden niet naar turbines van 280 meter bij Ondersloot te vertalen.
Doorsnijding van routes en barrièrewerking
Een lijnopstelling kan dwars op een vlieg- of trekroute staan. Dieren wijken dan uit, wat extra energie kost en de verbinding tussen leefgebieden kan verzwakken. Of dat hier speelt, hangt af van de ligging van routes ten opzichte van de uiteindelijke posities.
Wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van windparken op vogels (Drewitt & Langston, 2006) beschrijft dat vogels lokale routes en trekroutes kunnen aanpassen. Reacties lopen uiteen van kleine veranderingen in hoogte of richting tot grotere omwegen, afhankelijk van soort, type beweging, turbineopstelling, seizoen, tijdstip, weer en windrichting. Barrièrewerking kan zo extra vliegafstand en extra energiegebruik veroorzaken. Hoe groot dat hier zou zijn, is zonder lokale gegevens niet vast te stellen.
Zweefvliegende vogels: een illustratief voorbeeld
Voor zweefvliegende trekvogels is dit soortspecifiek onderzocht: bij zwarte wouwen in een migratiecorridor bij Gibraltar bleek geschikt zweefgebied rond turbines minder te worden gebruikt (Marques e.a., 2020, Journal of Animal Ecology). Die gevonden afstand is geen grenswaarde voor rode wouwen en zeker niet voor Stegeren. Het voorbeeld laat vooral zien waarom routegebruik en geschikt zweefgebied hier lokaal onderzocht moeten worden.
Verlichting hangt hiermee samen: obstakelverlichting is verplicht en kan nachtactieve soorten beïnvloeden. De regels en de mogelijkheden om te dimmen of naderingsdetectie te gebruiken beschrijven wij op de pagina Landschap, recreatie en leefomgeving, waar ook de visuele en recreatieve kant aan de orde komt.
Cumulatie met De Veenwieken en andere ontwikkelingen
Dieren houden zich niet aan projectgrenzen. Voor soorten die zich door het gebied verplaatsen telt niet alleen Ondersloot, maar ook de bestaande turbinelijn van De Veenwieken en andere obstakels en ontwikkelingen in de omgeving. Een beoordeling die alleen dit project bekijkt, laat die optelling buiten beeld.
Wat de wetenschap over cumulatie zegt
Een conceptueel raamwerk voor cumulatieve beoordeling bij windparken en vogels (Masden e.a., 2010) wijst erop dat afzonderlijk kleine effecten gezamenlijk betekenisvol kunnen zijn. Cumulatieonderzoek moet daarom transparant zijn over welke effecten, welke projecten, welke uitgangssituatie, welke ruimtelijke schaal en welke tijdsperiode worden meegenomen. Alleen de projectgrens van Ondersloot gebruiken kan effecten buiten beeld laten; andere relevante projecten en autonome ontwikkelingen moeten gemotiveerd worden meegenomen. Dit raamwerk zegt niets over de vraag of bij Stegeren schade optreedt — het beschrijft hoe die vraag beantwoord moet worden.
Wat cumulatief zou moeten worden beoordeeld
- de gezamenlijke turbineopstelling en het totale aantal turbines in het gebied;
- de ruimtelijke samenhang: onderlinge afstanden, richting en openingen tussen lijnen;
- mogelijke kruisende vlieg- en trekroutes tussen beide opstellingen;
- barrièrewerking van de opstellingen samen;
- de totale aanvaringskans voor soorten die beide gebieden gebruiken;
- verstoring en gebiedsvermijding op de schaal van het hele gebied;
- de gezamenlijke nachtelijke verlichting;
- werkzaamheden, onderhoudsverkeer en infrastructuur van beide parken;
- andere relevante projecten en autonome ontwikkelingen in het onderzoeksgebied.
Vier dingen die uit elkaar moeten blijven
- Projectspecifieke effecten van Ondersloot: wat dit park zelf toevoegt.
- Bestaande belasting door De Veenwieken: wat er nu al is, los van dit plan.
- Gezamenlijke of cumulatieve effecten: wat pas ontstaat door de combinatie.
- Autonome ontwikkelingen: veranderingen die ook zonder dit project optreden.
Openstaande vraag
Geen openbaar cumulatief natuuronderzoek
Een relevante vraag waarop wij in de gecontroleerde openbare bronnen nog geen volledig antwoord hebben gevonden. Een openstaande vraag is geen beschuldiging.
Wij hebben voor Ondersloot en De Veenwieken samen geen openbaar ecologisch cumulatieonderzoek gevonden. Daarom stellen wij niet dat cumulatieve natuurschade is vastgesteld: wij stellen vast dat de gezamenlijke beoordeling ontbreekt en dat die er wat ons betreft moet komen.
Wat moet worden onderzocht en beoordeeld?
Het juridische kader in gewone woorden
Sinds 1 januari 2024 is de natuurbescherming opgenomen in de Omgevingswet. Twee sporen zijn hier van belang. Het eerste is gebiedsbescherming: raakt een project een Natura 2000-gebied, dan is sprake van een Natura 2000-activiteit en moet worden onderzocht of significante gevolgen zijn uit te sluiten. Kunnen die niet worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling aan de orde. Het tweede spoor is soortenbescherming: voor het opzettelijk doden of verstoren van beschermde soorten en het aantasten van voortplantings- of rustplaatsen kan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig zijn, meestal bij de provincie.
Beide sporen komen voort uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast begrenst en beschermt de provincie het Natuurnetwerk Nederland. Of hier een natuurtoestemming nodig is, en welke, staat niet op voorhand vast: dat volgt pas uit de projectspecifieke beoordeling door het bevoegd gezag. Wij schrijven daarom niet dat een natuurvergunning voor Ondersloot vereist is; wij schrijven dat moet worden vastgesteld of en welke toestemming aan de orde is.
Wat een navolgbaar ecologisch onderzoek inzichtelijk maakt
Resultaten van onderzoek bij andere turbinetypen kunnen niet zonder nadere beoordeling worden overgenomen. Rotordiameter, tiplaagte, tiphoogte, draaisnelheid, turbineopstelling en het lokale gebruik van het luchtruim door vogels en vleermuizen moeten worden onderzocht.
Onderstaande punten zijn onze onderzoekseisen en aandachtspunten, geen opsomming van wettelijk voorgeschreven detailniveau. Wij vragen erom omdat een rapport zonder deze gegevens niet controleerbaar is.
- de begrenzing van het onderzoeksgebied en de motivering daarvan;
- de onderzoeksperiode en de seizoensdekking, inclusief trek- en broedseizoen;
- het aantal en de data van veldbezoeken;
- de gebruikte databronnen naast eigen veldwerk;
- de onderzochte soortgroepen en de criteria voor selectie;
- de waarnemingsmethoden, inclusief apparatuur en meetopstelling;
- vastgestelde vliegroutes en vlieghoogtes;
- de aannames in gebruikte modellen, waaronder uitwijkgedrag;
- de gehanteerde turbineposities en afmetingen;
- het cumulatiescenario, inclusief De Veenwieken;
- de onzekerheidsmarges rond de uitkomsten;
- effecten tijdens zowel aanleg als gebruik;
- de voorgestelde maatregelen en de verwachte werking daarvan;
- de resteffecten na maatregelen;
- het monitoringprogramma na ingebruikname;
- openbaarmaking van ruwe of voldoende herleidbare onderzoeksgegevens.
Onderzoeksprogramma dat uit de literatuur volgt
De hierboven aangehaalde wetenschappelijke literatuur laat zich vertalen naar concrete onderzoeksvragen voor deze locatie. Wij presenteren deze punten als vereisten voor een navolgbare en controleerbare beoordeling, niet als opsomming van wettelijke verplichtingen; alleen waar een concrete juridische bron een verplichting bevestigt, is daarvan sprake.
- systematische inventarisatie van broedvogels, lokale vogels en seizoenstrek;
- gerichte aandacht voor de rode wouw en andere relevante roofvogels;
- registratie van vliegrichting, vlieghoogte en gedrag;
- onderzoek naar foerageer-, rust- en verbindingsroutes;
- voldoende seizoensdekking;
- transparante verantwoording van de waarnemingsinspanning;
- onderzoek op relevante tijden van dag en nacht;
- vleermuisonderzoek op grondniveau en, waar nodig, op rotorhoogte;
- weers- en activiteitsgegevens gekoppeld aan de metingen;
- een openbaar botsingsmodel met aannames en onzekerheden;
- een cumulatieve beoordeling samen met De Veenwieken;
- een nulmeting vóór realisatie;
- monitoring na ingebruikname;
- gestandaardiseerd kadaveronderzoek;
- correcties voor vindkans, verdwijning en zoekoppervlak;
- vooraf vastgelegde evaluatie- en bijsturingsmomenten;
- juridisch afdwingbare maatregelen wanneer de beoordeling daartoe aanleiding geeft.
Wat de technische verkenning van 2023 voor de gemeente wel en niet onderzocht, staat op de pagina Pondera-verkenning 2023. Die verkenning was geen ecologische effectbeoordeling.
Welk bestuursorgaan de natuurtoets uiteindelijk beoordeelt en welke provinciale kaders daarbij gelden, leggen wij uit op de pagina Provincie Overijssel: kaders, selectie en bevoegdheden.
Mogelijke maatregelen en monitoring
De maatregelen hieronder komen bij windparken in beeld. Voor Ondersloot is geen van deze maatregelen openbaar vastgelegd. Wij noemen ze om te laten zien wat er te regelen valt, niet om te suggereren dat er iets is toegezegd.
- aanpassing van turbineposities of van de richting van de opstelling;
- vermijden van belangrijke vlieg- en foerageerroutes of kwetsbare gebieden;
- stilstand tijdens trek- of andere risicoperiodes;
- vleermuisvriendelijke stilstand bij specifieke weers- en tijdcondities;
- tijd- of weersafhankelijke bedrijfsbeperking;
- beperken van verlichting door dimmen, vast licht of naderingsdetectie;
- maatregelen en planning tijdens de aanleg;
- ecologische begeleiding tijdens de werkzaamheden;
- monitoring van slachtoffers en van gedrag na ingebruikname;
- vaste evaluatie- en bijsturingsmomenten.
Wat onderzoek zegt over de werking van stilstand
Een meta-analyse van 36 vergelijkingen uit 17 Noord-Amerikaanse windparken (Adams, Gulka & Williams, 2021) laat zien dat operationele beperking de geschatte vleermuissterfte gemiddeld verminderde. De onderzoeken verschilden in locatie, regeling en onderzoeksopzet, en de exacte relatie tussen een hogere startsnelheid en extra reductie bleef onzeker. Een overzicht van tien jaar curtailmentonderzoek (Whitby e.a., 2024) komt tot eenzelfde beeld. Wij nemen die reductiepercentages hier niet over als verwachting voor Stegeren: het zijn uitkomsten van een Noord-Amerikaanse steekproef, bij windparken met turbines die aanzienlijk lager zijn dan 280 meter en in een ander landschap en ander soortenspectrum.
De conclusie die wij er wel uit trekken: stilstand tijdens risicovolle omstandigheden kan vleermuissterfte aanzienlijk verminderen. De noodzakelijke perioden, windsnelheden, temperaturen en overige drempelwaarden moeten locatiespecifiek worden bepaald en na ingebruikname worden gecontroleerd. Stilstand voorkomt niet alle slachtoffers, en voor Ondersloot is geen vleermuisregeling gekozen of openbaar vastgelegd.
Kadaveronderzoek en detectiegrenzen
Het aantal gevonden slachtoffers is niet automatisch gelijk aan de werkelijke sterfte. Een betrouwbare schatting moet onder meer rekening houden met vindkans, verwijdering door aaseters of ontbinding, zoekfrequentie en het deel van het gebied dat daadwerkelijk is onderzocht (Korner-Nievergelt e.a., 2011; Huso, 2011). Voor die correcties bestaat gestandaardiseerde methodiek, waaronder de USGS-software GenEst.
- een nulwaarneming bewijst niet automatisch nul sterfte;
- resultaten moeten met detectiecorrecties en onzekerheidsmarges worden gepubliceerd;
- zoekefficiëntie kan verschillen tussen kleine vleermuizen en grotere vogels;
- onderzoeksresultaten zijn moeilijk vergelijkbaar als de methoden verschillen.
Vijf trappen die niet door elkaar mogen lopen
- Mogelijke maatregel: denkbaar op grond van literatuur of praktijk elders.
- Onderzochte maatregel: in een rapport voor dit project doorgerekend.
- Voorgestelde maatregel: door initiatiefnemer of adviseur aangeboden.
- Juridisch vastgelegde maatregel: als voorschrift in een besluit of vergunning opgenomen en handhaafbaar.
- Toegepaste maatregel: aantoonbaar in werking en gecontroleerd.
Voor Ondersloot bevindt zich naar ons weten geen enkele natuurmaatregel voorbij de eerste trap.
Materialen, slijtage en einde levensduur
Een windturbine bestaat uit staal, beton, koper en composietmateriaal. Tijdens de levensduur slijten onderdelen, en na afloop moet de installatie worden gedemonteerd en verwerkt. De beschikbare literatuur bevestigt dat rotorbladen kunnen eroderen en materiaaldeeltjes kunnen verliezen, maar niet in welke hoeveelheden dat rond moderne landturbines gebeurt of welk risico daaruit volgt.
Voor Ondersloot zijn het turbinetype, de materialen, de verwachte slijtage, de verwerkingsroute van afgedankte rotorbladen, het herstel van de locatie en een eventuele financiële zekerheid nog niet openbaar vastgesteld. Lees verder over materialen, slijtage en ontmanteling.
Wat is bekend over Ondersloot?
Vastgesteld
Wat uit openbare documenten volgt
Feiten die rechtstreeks uit openbare en controleerbare bronnen volgen.
- Het gaat om een voorgenomen windpark in het zoekgebied bij Stegeren; de omvang en status staan beschreven op de pagina Windpark Ondersloot.
- Het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied ligt onder meer in de gemeente Ommen; provincie Overijssel is voortouwnemer voor dat gebied.
- In en rond Stegerveld en boven de Overijsselse Vecht zijn waarnemingen van de rode wouw geaccepteerd in Waarneming.nl. Dat toont aanwezigheid van grote roofvogels aan. Bekijk de lokale waarnemingen.
- De technische verkenning van Pondera uit 2023 was een ruimtelijk-technische quickscan en bevatte geen ecologische effectbeoordeling voor deze locatie.
Wat is nog niet vastgesteld?
Openstaande vraag
Nog niet openbaar vastgesteld
Een relevante vraag waarop wij in de gecontroleerde openbare bronnen nog geen volledig antwoord hebben gevonden. Een openstaande vraag is geen beschuldiging.
- de definitieve turbineposities;
- het definitieve turbinetype en de definitieve afmetingen;
- een volledige ecologische nulmeting van het huidige gebiedsgebruik;
- de gehanteerde onderzoeksperiode en seizoensdekking;
- een volledige soorteninventarisatie voor vogels en vleermuizen;
- een cumulatieve beoordeling samen met De Veenwieken;
- de definitieve maatregelen, waaronder een eventuele stilstandvoorziening;
- een monitoringprogramma na ingebruikname;
- de vergunningvoorschriften rond natuur;
- openbaar beschikbare ruwe of herleidbare veld- en meetgegevens.
Te volgen
Te volgen in de procedure
Punten die in de lopende procedure nog moeten blijken.
- welke ecologische onderzoeken openbaar worden gemaakt, en wanneer;
- wie opdrachtgever is en welk bureau het onderzoek uitvoert;
- hoe de onafhankelijkheid van dat onderzoek wordt geborgd;
- hoe zienswijzen en reacties van deskundigen worden verwerkt;
- welke maatregelen uiteindelijk als voorschrift juridisch bindend worden;
- hoe naleving en monitoring worden gecontroleerd, en door wie.
De vragen die wij hierover hebben gesteld, staan bij Openstaande vragen. Dat een ontoereikende milieubeoordeling elders tot langlopende procedures kan leiden, laat de casus Bernagues zien bij Praktijkvoorbeelden; die zaak bewijst niets over de natuurwaarden of de houdbaarheid van een vergunning hier.
Gerelateerde artikelen
Journalistieke berichtgeving als context. Deze artikelen vervangen de primaire bronnen en besluiten op deze pagina niet.
Provincie Zeeland legt twintig windmolens stil vanwege uitvliegende zeearenden (opent in een nieuw tabblad)
Trouw · publicatiedatum niet vermeld · geraadpleegd op 8 augustus 2026 · Nieuws Secundaire bron · mogelijk achter een betaalmuur
De provincie Zeeland legt twintig windmolens stil vanwege uitvliegende zeearenden. Laat zien dat overheden na plaatsing kunnen ingrijpen om beschermde natuur te sparen.
Journalistieke berichtgeving over ingrijpen door een provincie na plaatsing; illustreert dat maatregelen ook achteraf nodig kunnen zijn, maar zegt niets over de soorten of het risico bij Stegeren.
Windpark bij Kreekraksluizen moet turbines uitzetten na botsingen met zeearenden (opent in een nieuw tabblad)
AD · publicatiedatum niet vermeld · geraadpleegd op 8 augustus 2026 · Nieuws Secundaire bron · mogelijk achter een betaalmuur
Windpark Kreekraksluizen moest turbines uitzetten na botsingen met zeearenden.
Journalistieke berichtgeving over aanvaringen met zeearenden bij een ander windpark; context bij het aanvaringsrisico, geen ecologische beoordeling van Ondersloot.
Dodelijke botsingen zeearend-windturbine in Flevoland (opent in een nieuw tabblad)
Hart van Nederland · publicatiedatum niet vermeld · geraadpleegd op 8 augustus 2026 · Nieuws Secundaire bron
Bericht over dodelijke botsingen van zeearenden met windturbines in Flevoland.
Journalistieke berichtgeving over aanvaringen in Flevoland; ander landschap en andere soortensituatie, dus niet overdraagbaar op Stegeren.
Bronnen en documenten
29 bronnenToon alle bronnenVerberg bronnen
eur-lex.europa.eu
Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG)
2009 · officiële toelichting
eur-lex.europa.eu
Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG)
officiële toelichting
besjournals.onlinelibrary.wiley.com
Whitby e.a. (2024) — A decade of curtailment studies demonstrates a consistent and effective strategy to reduce bat fatalities at wind turbines in North America
2024 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
doi.org
Barré e.a. (2023) — Drivers of bat activity at wind turbines advocate for mitigating bat exposure using multicriteria algorithm-based curtailment
2023 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
doi.org
Tolvanen e.a. (2023) — How far are birds, bats, and terrestrial mammals displaced from onshore wind power development?
2023 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
journals.plos.org
Adams, Gulka & Williams (2021) — A review of the effectiveness of operational curtailment for reducing bat fatalities at terrestrial wind farms in North America
2021 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
besjournals.onlinelibrary.wiley.com
Marques e.a. (2020) — Wind turbines cause functional habitat loss for migratory soaring birds
2020 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
sciencedirect.com
Johnston e.a. (2016) — Avian collision risk models for wind energy impact assessments
2016 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
sciencedirect.com
Marques e.a. (2014) — Understanding bird collisions at wind farms: an updated review on the causes and possible mitigation strategies
2014 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
onlinelibrary.wiley.com
Huso (2011) — An estimator of wildlife fatality from observed carcasses
2011 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
doi.org
Korner-Nievergelt e.a. (2011) — A new method to determine bird and bat fatality at wind energy turbines from carcass searches
2011 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
doi.org
Masden e.a. (2010) — Cumulative impact assessments and bird/wind farm interactions: developing a conceptual framework
2010 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
onlinelibrary.wiley.com
Drewitt & Langston (2006) — Assessing the impacts of wind farms on birds
2006 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
iplo.nl
Bescherming van gebieden onder de Omgevingswet — IPLO
2026 · officiële toelichting
iplo.nl
Bescherming van soorten onder de Omgevingswet — IPLO
2026 · officiële toelichting
rvo.nl
Hoe beschermt u de natuur bij een windturbine? — RVO
2026 · officiële toelichting
bij12.nl
Kennisdocumenten soorten — BIJ12
2026 · officiële toelichting
tethys.pnnl.gov
Peste e.a. (2015) — How to mitigate impacts of wind farms on bats? A review of potential conservation measures in the European context
2015 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
research.wur.nl
Krijgsveld e.a. (2009) — Collision risk of birds with modern large wind turbines
2009 · onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
natura2000.nl
Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied
2000 · officiële toelichting
usgs.gov
GenEst — generalized estimator of mortality (USGS)
onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
rvo.nl
Natuur onder de Omgevingswet — RVO
officiële toelichting
rijksoverheid.nl
Natuurnetwerk Nederland — Rijksoverheid
officiële toelichting
iplo.nl
Rijksregels voor activiteiten met gevolgen voor de natuur — IPLO
officiële toelichting
waarneming.nl
Rode wouw gespot bij Stegerveld
2025 · bron van betrokken organisatie
waarneming.nl
Rode wouw boven de Overijsselse Vecht
2024 · bron van betrokken organisatie
waarneming.nl
Rode wouwen waargenomen in Stegerveld (2024-2025)
2024 · bron van betrokken organisatie
zoogdiervereniging.nl
Effecten van windturbines op vleermuizen — Zoogdiervereniging
bron van betrokken organisatie
netwerkgroenebureaus.nl
Vleermuisprotocol — Netwerk Groene Bureaus
bron van betrokken organisatie
Bekijk ook de rubriek Wetenschappelijk onderzoek in het volledige bronnenregister. De bronnen van deze pagina staan in meerdere rubrieken.
Datum volledige inhoudelijke controle niet geregistreerd
