Naar hoofdinhoud

Lokale energiealternatieven

Kleine windturbines op erven en bedrijventerreinen

Kleine windturbines zijn qua schaal, vermogen en ruimtelijke gevolgen niet vergelijkbaar met turbines van 280 meter. Wat ze in Ommen kunnen opleveren, is nog niet onderzocht.

Deze techniek kan onderdeel zijn van integrale erfenergie.

Wat is een kleine windturbine?

  • kleine windturbines worden doorgaans achter de meter aangesloten, net als zonnepanelen;
  • de opgewekte elektriciteit wordt bij voorkeur direct op het bedrijf of erf gebruikt;
  • een eventueel overschot wordt teruggeleverd, voor zover de aansluiting en de netcapaciteit dat toelaten;
  • de opbrengst hangt sterk af van windsnelheid, locatie, obstakels, ashoogte, rotordiameter en turbinetype.

Toepassing ligt vooral op agrarische erven en eventueel op geschikte bedrijventerreinen. Het gaat om een andere schaal, een ander vermogen en een andere ruimtelijke uitstraling dan de voorziene turbines tot 280 meter tiphoogte.

Hoogtematen: mast, as en tip

  • masthoogte: de hoogte van de mast zelf;
  • ashoogte: de hoogte van het middelpunt van de rotor;
  • tiphoogte: de hoogte van het hoogste punt van een wiek.

Een hoogtemaat zegt zonder toelichting niets. Wij schrijven daarom nergens zomaar “een windturbine van 25 meter”, maar vermelden steeds of het om ashoogte, masthoogte, bouwhoogte of tiphoogte gaat. Een turbine met een ashoogte van 25 meter komt door de wieken op een aanmerkelijk hogere tiphoogte uit. Opbrengstgegevens van een turbine met 25 meter ashoogte gelden daarom niet voor een turbine met maximaal 25 meter totale tiphoogte. Een norm als “maximaal 25 meter” moet juridisch en technisch nauwkeurig worden omschreven; de exacte definitie hangt af van het toepasselijke provinciale en gemeentelijke beleid.

Wat zeggen de bronnen over opbrengst en haalbaarheid?

Vergelijking van drie bronnen over kleine windturbines in combinatie met zon en opslag
BronOnderzochte situatieBelangrijkste uitkomstBelangrijkste beperking
RES Stedendriehoek (maart 2023)Regionale scenarioberekeningen voor kleine en middelgrote windturbines op agrarische erven in de Stedendriehoek, met ashoogtes van 15 tot 30 meter en gemeten praktijkwindsnelheden van circa 3,5 tot 4,7 m/s.Kleine windturbines zijn alleen in specifieke situaties economisch haalbaar: aansluiting op een bestaande kleinverbruikersaansluiting, grotendeels eigen gebruik en zonnepanelen op dezelfde aansluiting. Een batterij voor dagopslag verbeterde de economische haalbaarheid in de doorgerekende bedrijfssituaties niet.Scenarioberekeningen met de aannames en prijzen van de onderzoeksperiode, voor een ander windklimaat dan Ommen. Het rapport concludeert dat kleine en middelgrote turbines door hun productie en het grote benodigde aantal (meer dan 1.000 kleine turbines voor 0,11 TWh) niet geschikt waren om de regionale winddoelstelling 2030 te dragen.
Innovatieroadmap en potentieelstudie kleinschalige windturbines (24 april 2025)Innovatie- en potentieelstudie naar kleinschalige windturbines van circa 1 tot 40 kW. Voor de praktijkscenario’s zijn een melkveehouderij en een klein bedrijventerrein gemodelleerd met een combinatie van windenergie, zonnepanelen en batterijopslag.In de modelsituaties werd voor de melkveehouderij een zelfvoorzieningsgraad van 75% berekend en voor het kleine bedrijventerrein 63,3%. De combinatie van wind, zon en opslag kan de lokale energievraag beter over verschillende momenten verdelen.De studie onderzoekt turbines tot ongeveer 15 meter ashoogte. De uitkomsten zijn gebaseerd op twee modelsituaties en zijn niet rechtstreeks toepasbaar op Ommen, andere bedrijfsprofielen of erfmolens met 25 meter ashoogte. Kosten, lokale wind, obstakels, turbinetype, verbruiksprofiel en vergunningen blijven bepalend.
RVO — Kleine windmolens op eigen grond (gecontroleerd op 1 juni 2026)Officiële overheidsuitleg over kleine windmolens op een (agrarisch) bedrijfsterrein: masthoogte ongeveer 15 tot 30 meter, vermogen 15 tot 72 kilowatt.Kleine windmolens staan achter de meter; direct eigen verbruik is het meest voordelig. Zon en wind vullen elkaar aan over dag en jaar. Onder goede omstandigheden noemt RVO een terugverdientijd van 6 tot 10 jaar en een landelijke bandbreedte van 30.000 tot 185.000 kWh per jaar.Landelijke, indicatieve uitleg. De genoemde opbrengst- en terugverdienbandbreedtes zijn niet rechtstreeks toepasbaar op Ommen of op een nog onbekend turbinetype; netaansluiting, vergunning en een locatiespecifieke beoordeling blijven bepalend.

De RES Stedendriehoek liet in maart 2023 door Paul van Bree proces- en projectmanagement onderzoeken welke rol kleine en middelgrote windturbines konden spelen in de regionale opgave voor 2030. Het rapport rekende bedrijfssituaties door met ashoogtes van 15 tot 30 meter en concludeerde dat kleine turbines vooral kansrijk zijn bij grotendeels eigen gebruik in combinatie met zonnepanelen op dezelfde aansluiting, terwijl een kostbare verzwaring van de aansluiting de haalbaarheid juist verslechtert. Dit zijn regionale scenarioberekeningen met de uitgangspunten van die onderzoeksperiode en geen uitspraak over Ommen.

In de Innovatieroadmap (Hanzehogeschool en TNO, in opdracht van TKI Urban Energy en RVO; modelstudie, niet peer-reviewed) betekent kleinschalige wind een turbine met maximaal ongeveer 15 meter ashoogte. Dit rapport is daarom geen directe onderbouwing voor de opbrengst van erfmolens met 25 meter ashoogte of een totale tiphoogte van 25 meter. De genoemde 75% en 63,3% zijn berekende zelfvoorzieningsgraden van het totale lokale energiesysteem met wind, zon en opslag in twee modelsituaties, en dus geen gemeten opbrengstpercentage van de windturbine zelf.

Het rapport wijst daarnaast op relatief hoge elektriciteitskosten van kleine windturbines vergeleken met grote turbines of zon-PV, op onzekerheid over energieproductie, betrouwbaarheid en levensduur, op de invloed van gebouwen, bomen en andere obstakels op de lokale wind, op beperkte en niet altijd onafhankelijk gevalideerde prestatiegegevens van leveranciers, en op verschillen in vergunningverlening en regelgeving.

Combinatie met zon, batterijen en direct lokaal gebruik

Zonnepanelen en kleine windturbines produceren op verschillende momenten. Zon levert vooral overdag en meer in voorjaar en zomer; wind kan juist op andere uren van het etmaal en vaker in herfst en winter produceren. Daardoor kan de combinatie de lokale productie beter over dag en jaar spreiden. Dat is complementariteit en geen garantie dat productie en verbruik op elk moment op elkaar aansluiten. Zie ook Zon op bestaande daken en Energie delen, opslag en energiehubs.

Wat betekent dit voor Ommen?

  • Ommen heeft mogelijk geschikte agrarische erven, bedrijfsdaken en lokale elektriciteitsvraag; het aantal geschikte locaties is niet vastgesteld;
  • de windsnelheid op 15 tot 25 meter ashoogte moet locatiespecifiek worden onderzocht; erfbeplanting, gebouwen en andere obstakels kunnen de opbrengst sterk beïnvloeden;
  • netaansluitingen en de actuele situatie rond Ommen Dante MS00 vragen afzonderlijk onderzoek;
  • er is geen openbare lokale potentieelstudie waaruit blijkt hoeveel GWh kleine windturbines in Ommen kunnen produceren.

Wij maken geen eigen omrekening naar een aantal kleine windturbines zolang lokale invoergegevens ontbreken. Kleine en grote turbines zijn ook niet op hoogte alleen te vergelijken: daarvoor zijn minimaal ashoogte en tiphoogte, vermogen, jaarproductie in kWh of GWh, het aantal benodigde installaties, direct eigen gebruik, aansluiting en netbelasting, ruimtegebruik, kosten en levensduur nodig. Zie ook Gemeente Ommen: huidige rol.

Gevolgen voor leefomgeving en benodigde vergunningen

Ook bij kleine windturbines moeten vergunningen, afstand tot woningen, geluid, slagschaduw, natuur, veiligheid en landschappelijke inpassing worden onderzocht. RVO beschrijft kleine windmolens op een (agrarisch) bedrijfsterrein met een masthoogte van ongeveer 15 tot 30 meter en een vermogen van 15 tot 72 kilowatt, en gaat in op opbrengst, netaansluiting en de geldende regels. Wij gebruiken bewust geen kwalificaties als “geluidloos”, “overlastvrij” of “onzichtbaar”: die zijn niet onderbouwd.

De terugverdientijd van 6 tot 10 jaar die RVO noemt, is een indicatie onder goede omstandigheden. Locatie, windaanbod, investering, onderhoud, elektriciteitsprijs, netaansluiting en direct eigen verbruik zijn bepalend voor de uitkomst in een concreet geval.

Actuele provinciale regels in Overijssel

Artikel 4.108d van de Omgevingsverordening Overijssel (geconsolideerde versie) bepaalt dat erfmolens in de Groene Omgeving in beginsel binnen het bouwperceel van een agrarisch of ander bedrijf worden geplaatst en een tiphoogte van maximaal 25 meter hebben. Een hogere tiphoogte kan gemotiveerd worden toegestaan als de ruimtelijke kwaliteit niet wordt aangetast. Als plaatsing binnen het bouwperceel niet mogelijk of landschappelijk onwenselijk is, kan plaatsing tot 25 meter daarbuiten worden toegestaan wanneer dat aantoonbaar een betere ruimtelijke situering oplevert. De gemeente beoordeelt de concrete vergunningaanvraag en kan aanvullende of strengere voorwaarden stellen.

Hoe de gemeente Ommen deze regels in de eigen vergunningpraktijk toepast, staat bij Gemeente Ommen: huidige rol.

Vastgesteld

Feiten die rechtstreeks uit openbare en controleerbare bronnen volgen.

  • zon en wind kunnen elkaar in productieprofiel aanvullen;
  • kleine windturbines kunnen achter de meter worden aangesloten;
  • direct eigen gebruik is belangrijk voor de economische waarde;
  • vergunning, netaansluiting en lokale omstandigheden blijven bepalend.

Wat moet nog onafhankelijk worden onderzocht?

Openstaande vragen voor Ommen

  • hoeveel geschikte agrarische erven en bedrijfslocaties zijn beschikbaar?
  • wat zijn de lokale windsnelheden op 15, 20 en 25 meter ashoogte?
  • welke turbinecategorieën passen binnen provinciaal en gemeentelijk beleid?
  • wat is het elektriciteitsverbruik per erf, bedrijf en seizoen?
  • welk deel kan direct worden gebruikt en welke aansluitingen zijn beschikbaar?
  • wat zijn investering, exploitatie, levensduur en terugverdientijd?
  • hoeveel jaarlijkse productie in GWh is realistisch?

Deze vraag staat ook bij de openstaande vragen.

Wat betekent dit voor Windpark Ondersloot 3?

  • Deze mogelijkheid hoort thuis in een integrale vergelijking van manieren om aan de energieopgave te werken. Kleine windturbines produceren weersafhankelijke elektriciteit, op veel kleinere schaal dan grote turbines.
  • Elektriciteit, warmte, gas, besparing en opslag zijn verschillende grootheden. Zij kunnen niet automatisch tegen de verwachte windproductie worden weggestreept.
  • Een eventuele verlaging van de windopgave vraagt een expliciete beleidskeuze van de gemeente en/of de provincie. Deze pagina stelt niet vast dat zo’n verlaging mogelijk is.
  • Lokale gegevens die nog ontbreken: aantal geschikte erven en locaties; lokale windsnelheden op lage ashoogte; toegestane turbinehoogte; beschikbare aansluitcapaciteit; realistische jaaropbrengst in GWh.

Ons standpunt

Ons standpunt

Het standpunt van Stichting Leefbaar Stegerveld. Dit is onze opvatting en geen vastgesteld feit.

Wij vinden dat kleine windturbines op geschikte erven en bedrijventerreinen serieus moeten worden onderzocht als onderdeel van een lokale mix. Wij stellen niet dat zij grote turbines kunnen vervangen; dat moet blijken uit een onafhankelijke lokale potentieanalyse.

Gerelateerde artikelen

Journalistieke berichtgeving als context. Deze artikelen vervangen de primaire bronnen en besluiten op deze pagina niet.

  • Video | Melkveebedrijf draait op biogas van monovergister (opent in een nieuw tabblad)

    Boerderij · 3 februari 2022 · Video Secundaire bron

    Praktijkvoorbeeld van melkveehouder Sander Bouma, die biogas uit een monovergister gebruikt voor warmte op het bedrijf en daarnaast beschikt over een windturbine en zonnepanelen. Het artikel laat zien hoe verschillende lokale energiebronnen op één agrarisch bedrijf kunnen worden gecombineerd.

    Concreet praktijkvoorbeeld van wind, zon en biogas op één agrarisch bedrijf.

    Journalistieke praktijkbeschrijving uit 2022. Het artikel bevat geen onafhankelijke vergelijking van kosten, energieopbrengst, emissies en bedrijfszekerheid. Er wordt geen batterijopslag beschreven en uit deze bedrijfssituatie volgt niet dat dezelfde combinatie in Ommen technisch, financieel of ruimtelijk haalbaar is.

Bekijk alle artikelen over dit onderwerp

Bronnen en documenten

  1. Provincie Overijssel

    Omgevingsverordening Overijssel (geconsolideerde versie), artikel 4.108d instructieregel erfmolens — Provincie Overijssel

    officiële toelichting

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

  2. Hanzehogeschool en TNO, in opdracht van TKI Urban Energy en RVO

    Innovatieroadmap en potentieelstudie kleinschalige windturbines

    24 april 2025 · onderzoek in opdracht

    Innovatie- en potentieelstudie met modelberekeningen, geen peer-reviewed onderzoek en geen praktijkmeting. De studie onderzoekt turbines tot ongeveer 15 meter ashoogte; de berekende zelfvoorzieningsgraden van 75% en 63,3% gelden voor twee modelsituaties en zijn niet rechtstreeks toepasbaar op Ommen of op erfmolens met 25 meter ashoogte.

    PDF openen (opent in een nieuw tabblad)Oorspronkelijke vindplaats bij Topsector Energie (doorverwijzing) (opent in een nieuw tabblad)

  3. Paul van Bree proces en projectmanagement, in opdracht van RES Stedendriehoek

    Onderzoek naar de mogelijkheden van kleine en middelgrote windturbines voor de RES Stedendriehoek opgave 2030

    2023-03 · onderzoek in opdracht

    Regionale scenarioberekeningen voor het windklimaat van de Stedendriehoek met de prijzen en aannames van 2023. Geen peer-reviewed onderzoek en geen uitspraak over Ommen.

    PDF openen (opent in een nieuw tabblad)

  4. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

    Kleine windmolens op eigen grond

    1 juni 2026 · officiële toelichting

    Landelijke, indicatieve uitleg over masthoogte, vermogen, opbrengst en terugverdientijd; geen locatiespecifieke beoordeling voor Ommen of voor een concreet turbinetype.

    Bron openen (opent in een nieuw tabblad)

Bekijk ook de rubrieken Rijksoverheid en officiële instanties en Sector- en belanghebbende bronnen in het volledige bronnenregister. De bronnen van deze pagina staan in meerdere rubrieken.

Inhoudelijk gecontroleerd: 16 oktober 2026